Het menselijk tekort gaat eigenlijk over het menselijk teveel: het streberige méér weten, de doorgeschoten ambitie van de projecten die we ons op de hals halen, het rusteloze gestreef naar vooruitgang – wat is dat eigenlijk? “Geef die dadendrang een spuitje”, zegt Dekkers. Niksen, dat zouden we vaker moeten doen.
Hoewel perfectie en het streven ernaar zonder pardon worden afgeschoten, kan hij toch met zachtheid, melancholie zelfs, naar de stumper in de mens kijken. De mens, die zich al struikelend door het leven beweegt en juist daardoor zo ontwapenend is, “...net alsof in de hele partij een weeffout is geslopen. Maar dat is nog geen reden om de hele partij af te keuren. Het is deel van onze charme.”
Om die charme van onze tekorten kracht bij te zetten vergelijkt Dekkers ons met vele andere dieren, van vlooien tot krabben en van stekelbaarsjes tot rode mieren en olifanten. Die hebben het meestal beter bekeken, meent hij.
Met zijn stevige meningen en ontelbare uitspraken om in te lijsten, beeldhouwt hij een mensbeeld waar de honden geen brood van lusten. Een beeld dat de mens bovendien plaatst tussen andere soorten in plaats van erboven.
Als kind leggen mensen zich volgens Dekkers niet meteen neer bij hun mens-zijn en waren zij net zo lief (of liever zelfs) als pony, konijn of beer ter wereld gekomen. Ze identificeren zich nog moeiteloos als die ander: ze schminken zich als vlinder of vleermuis en er zijn tekenfilms en boeken in overvloed waarin de werelden van dieren en mensen versmelten.
Volwassenen daarentegen verplaatsen zich niet meer in andere soorten. Het zijn strikt gescheiden werelden. Alleen biologen stellen zichzelf nog vragen over wat er omgaat in de koppen van andere wezens, de rest speelt mens.
In een soms wat onsamenhangend doch vermakelijk betoog analyseert hij die mens nauwkeurig en bekijkt hem onder een loep zoals een bioloog betaamt. Hij verklaart hem vanuit de evolutie én fileert hem genadeloos waar het cultuur en religie betreft. Daar is Dekkers bitter, om die blik vervolgens weer te relativeren: “Een dapper volk trekt af en toe ten strijde. Dat strekt het tot eer en lost en passant het bevolkingsoverschot op.” En vervolgens een pagina later: “Oorlog is verschrikkelijk. Ik moet iedereen met klem afraden er ooit aan te beginnen.” Dit provoceren en vervolgens nuanceren zit door het hele werk verweven.
Nooit volwassen worden
Ook God wordt, als schepper, nauwelijks gespaard. God zou weten hoe de mens volmaakt kan worden, die zou geen steek laten vallen. Maar kijk eens om je heen.
De hemel van de Griekse goden wordt tegenover de slaapverwekkende, “volmaakte” christenhemel gezet. In de Griekse hemel gebeurt tenminste iets: “Incest, overspel, moord en doodslag, het hoort niet, maar het brengt wel leven in de brouwerij. Griekse goden zijn heerlijk onvolmaakt, vol verrukkelijke ondeugden die bij ons, met onze in alle opzichten christelijke god, als ‘menselijk’ bekendstaan.”
Door de zinnen van Het menselijk tekort heen voel je de teleurstelling van iemand die tevergeefs geprobeerd heeft mensen te wijzen op de schoonheid van de wereld en er nu een tikje moe van is. Bijvoorbeeld als hij volwassenen beschrijft die vroeger graag naar ‘de natuur’ gingen en nu in de nieuwste nieuwbouw wonen, op plekken waar het in hun jeugd nog groen was, en stemmen op politieke partijen die hoger loon boven meer groen stellen: “...nu zijn ze volwassen. Nooit volwassen worden lijkt me de enige weg naar een gezond natuurbehoud.”
Wat moeten we zonder Midas? Het is deze misantropische stem doorspekt met medelijden die we zo hard nodig hebben, maar niet altijd willen laten doordringen. Het is maar goed dat hij de kunst van het volhardend pessimisme tot in de puntjes beheerst – iets dat wij gemakshalve bestempelen als humor, anders zou niemand hem durven lezen. De wereld kan dit soort mensen niet kwijt, ook al zijn ook zij niet volmaakt.
Midas Dekkers, Het menselijk tekort, Atlas Contact, 2025