Tja. Huisman en ik hebben allebei geschiedenis gestudeerd aan de Universiteit Utrecht. Zij zes jaar eerder dan ik. Ik herinner me dat al voor kerst in het eerste jaar de gedachte dat ‘de’ geschiedenis bestaat uit het hoofd van de prille studenten werd geramd. Het inzicht dat elke geschiedenis minstens zoveel zegt over de tijd waarin die geschreven wordt als over de periode waarover die gaat, is gevoeglijk bekend. De kunstgreep waarmee Huisman hieraan probeert te ontkomen, mag dan ook niet baten. Een mens kan nou eenmaal niet ontsnappen aan zijn of haar of hun schaduw.
Een heilzaam boek in een tijd waarin allerlei mensen en bewegingen zekerheden rond gender, liefde en seksualiteit in beton proberen te gieten
Gelukkig maar. En zo is het boek toch ‘een’ queer geschiedenis van Nederland geworden, en dus ‘een’ canon, zoals elke canon nooit ‘de’ maar altijd ‘een’ canon blijkt. Gelukkig voor deze beginneling die zo toch wat geleerd heeft over de Nederlandse queer geschiedenis. Een heilzaam boek in een tijd waarin allerlei mensen en bewegingen zekerheden rond gender, liefde en seksualiteit in beton proberen te gieten. Je wordt er een beter en wijzer mens van een boek te lezen dat laat zien hoe veranderlijk en divers, tijd- en cultuurgebonden het denken en doen onder de regenboog is.
Wil de echte homo opstaan? Is hij een mannelijke man? Van de knapenliefde? Exclusief van de herenliefde? Doodnormaal, zoals zijn heteroseksuele evenknie? Of juist opvallend door zijn bijzonderheid? Een man toch op z’n minst? Een slachtoffer van heteronormatieve wetten, medische wetenschap of dominante cultuur? Of onderdeel van het witte patriarchaat door zijn grip op het narratief ten koste van homoseksuele vrouwen, transgenders en mensen van kleur? Of misschien wel meer van dat tegelijk?
Hét antwoord bestaat niet. Dat relativeert lekker. Alle plotwendingen in het verhaal stemmen mild over hen die – met alle goede bedoelingen – zeker menen te weten hoe het verder moet onder de regenboog. En daarbij soms elkaar of geesten uit het verleden bestrijden. Het ene moment is Andreas Burnier bijvoorbeeld een lesbisch-feministisch icoon – een vrouw toch zeker –, enkele decennia later een non-binair of transgender rolmodel. En dat allemaal tegen wil en dank want “ik schrijf niet over homofilie”, aldus Burnier, “ik bedank ervoor om als eerste Nederlandse flikker door te gaan.” Deze wisselende en soms strijdige perspectieven maken de zoektocht naar een minder heteronormatieve wereld intussen niet minder zinnig.
De kunstgreep van Huisman heeft wel één nadeel. Omdat ze niet dé queer geschiedenis wil schrijven maar over het verlangen van individuen en groepen hun eigen geschiedenis te formuleren, maakt ze – voor mijn gevoel – marginale clubblaadjes en publicaties wel erg belangrijk. Dat leidt tot een gek Droste-effect waarbij de wetenschapper homostudies onderzoek doet naar homostudies. Of noem het soms wat navelstaarderig.
Dat laat onverlet dat Huisman een lekker leesbaar boek heeft geschreven en ik persoonlijk na het lezen – net als hopelijk andere lezers – weer wat wijzer en milder ben. Laten we zeggen: ‘confused at a higher level’. Dat is toch een mooie opbrengst.
Marijke Huisman, Queer geschiedenis van Nederland – De strijd om een eigen verleden, Atlas Contact, 2026