Vooruitgang heeft haar vanzelfsprekendheid verloren. Niet omdat de behoefte aan een duurzamere, vrijere en rechtvaardigere samenleving is verdwenen, maar omdat verandering steeds vaker ook als verlies wordt ervaren. In hun essay Het progressieve streven[1] formuleren Flor Avelino en Rutger Claassen, beiden werkzaam aan de Universiteit Utrecht, een ambitieus antwoord op de ideologische opmars van het conservatisme. Hun egalitaire toekomstbeeld overtuigt. Hun analyse blijft echter onvolledig zolang de maatschappelijke wortels van het verlies dat burgers ervaren grotendeels buiten beeld blijven.
De egalitaire droom
In de dagelijkse politiek verschijnt progressiviteit meestal als een verzameling onderwerpen: klimaat, bestaanszekerheid, gelijkheid, diversiteit en democratisering. Avelino en Claassen draaien de volgorde om. Niet afzonderlijke beleidsdossiers vormen hun vertrekpunt, maar de vraag wat progressiviteit in ideologische zin betekent.
Hun antwoord is helder: de kern van progressieve politiek is het streven naar een egalitaire ordening van de samenleving. Tegenover de conservatieve verdediging van maatschappelijke hiërarchieën staat de progressieve inzet om macht gelijkwaardiger te verdelen. Dat geldt niet enkel voor inkomen en bezit. Ook de verhoudingen tussen mannen en vrouwen, tussen verschillende culturele en etnische groepen en tussen bestuurders en burgers zijn in het geding. Progressiviteit houdt volgens de auteurs in dat bestaande machtsconcentraties steeds opnieuw ter discussie worden gesteld en dat democratisering zich niet tot het stemhokje beperkt.
Die benadering maakt hun artikel relevant. Progressieven zijn de afgelopen decennia dikwijls in een defensieve positie terechtgekomen: als verdedigers van de democratische rechtsstaat, sociale zekerheid en eerder verworven rechten. Avelino en Claassen willen daar een offensief verhaal tegenoverstellen. Niet beschermen wat bestaat, maar duidelijk voor het voetlicht brengen welke samenleving progressieven willen opbouwen.
Precies daar dient zich echter de centrale spanning aan. Een toekomstbeeld kan normatief aantrekkelijk zijn en toch weinig politieke overredingskracht bezitten. Voor veel burgers is vooruitgang immers geen eenduidige ervaring. Wat vanuit beleid, economie of technologie als vernieuwing wordt gepresenteerd, kan in het dagelijks leven verschijnen als verlies van controle, continuïteit of nabijheid. Een progressief verhaal dat vooral vertelt wat er gewonnen kan worden, blijft daarom onvermijdelijk half.
Vier kantelingen
Avelino en Claassen proberen de egalitaire droom te herijken aan de hand van vier fundamentele problemen van het moderne vooruitgangsdenken. Zij behandelen die niet als losstaande kwesties, maar als terreinen waarop progressiviteit zich opnieuw moet uitvinden.
Technologische innovatie mag allereerst niet langer automatisch met vooruitgang worden vereenzelvigd. Nieuwe technologie kan maatschappelijke problemen oplossen. Tegelijkertijd kan ze ook ongelijkheden en afhankelijkheden vergroten en ecologische schade verergeren. Bovendien kan het geloof in toekomstige technische oplossingen worden gebruikt om sociale verandering op de lange baan te schuiven. De noodzakelijke kanteling is die van innovatie naar transformatie: niet vragen wat technisch gesproken mogelijk is, maar nagaan onder welke maatschappelijke en democratische voorwaarden technologie bijdraagt aan duurzaamheid en rechtvaardigheid.
Ook de traditionele koppeling tussen economische groei en vooruitgang moet volgens de auteurs worden losgelaten. Meer productie en consumptie resulteren niet vanzelf in een beter bestaan. Tegenover abstracte groeidwang plaatsen zij de zoektocht naar het goede leven: een economie waarin welzijn, zorg, duurzaamheid, bestaanszekerheid en een rechtvaardige verdeling zwaarder wegen dan een almaar stijgend bruto binnenlands product.
Het derde probleem betreft diversiteit: de vertegenwoordiging van verschillende sociale groepen en de uiteenlopende visies op wat vooruitgang behelst. Wat voor de ene groep emancipatie betekent, kan door een andere als achteruitgang worden beleefd. Ook progressieve waarden kunnen onderling botsen: snel klimaatbeleid kan bijvoorbeeld op gespannen voet staan met sociale rechtvaardigheid of zorgvuldige democratische inspraak. De kanteling bestaat daarom uit het serieus nemen van waardenpluralisme. Verschillen moeten niet door één dominant wereldbeeld worden gladgestreken. Juist via debat, deliberatie en politieke afweging kunnen deze productief worden gemaakt.
Ten slotte pleiten de auteurs voor een herwaardering van gemeenschap en verbondenheid. Progressieven hebben zich terecht verzet tegen de dwingende en hiërarchische kanten van traditionele gemeenschappen. Ze hebben daardoor echter de menselijke behoefte aan geborgenheid, continuïteit en herkenbaarheid veronachtzaamd. Gemeenschapszin moet niet aan conservatieven worden overgelaten. Die moet op egalitaire en inclusieve grondslag worden georganiseerd: open voor verschillende identiteiten, levensbeschouwingen en levenswijzen, en gebaseerd op de bereidheid om democratische macht te delen.
De auteurs vatten hun ambitie samen in deze – in mijn ogen sterke – passage van hun artikel: ‘De kunst is de egalitaire droom te herijken nu de schaduwzijden van moderne vooruitgang alomtegenwoordig zijn geworden. Een aanlokkelijk toekomstperspectief moet met hart en verstand gemaakt worden. Technologische innovatie kritisch beschouwen en het verschil begrijpen tussen innovatie en wenselijke transformatieve verandering. De economie in dienst brengen van het goede leven. Diversiteit omarmen, zowel in groepen mensen als in perspectieven. En de menselijke behoefte aan gemeenschapszin en geborgenheid serieus nemen en niet overlaten aan de conservatieve tegenpool. Hoe dat alles eruitziet is een zoektocht. Wat progressief is, zal altijd in beweging blijven en een onderwerp zijn voor een felle ideeënstrijd.’
Progressiviteit verschijnt hier niet als een gesloten doctrine, maar als een voortdurend streven naar vrijheid en gelijkwaardigheid onder veranderende omstandigheden. Avelino en Claassen erkennen de schaduwzijden van modernisering daarbij nadrukkelijk.
Het conservatisme als spiegel
Om progressiviteit scherper te definiëren, beginnen Avelino en Claassen bij het conservatisme. In navolging van de Amerikaanse politieke filosoof Corey Robin zien zij conservatisme niet in de eerste plaats als voorzichtigheid, behoudzucht of gehechtheid aan traditie. De diepere kern ervan is volgens hen het verdedigen van hiërarchische machtsverhoudingen.
Ook nadat gelijkwaardigheid, democratie en mensenrechten niet langer openlijk konden worden verworpen, bleven conservatieven hiërarchische verhoudingen verdedigen binnen de economie, het gezin en de culturele orde. Economisch liberalisme en cultureel conservatisme zijn vanuit deze visie geen ongemakkelijke twee-eenheid. Het zijn twee verschijningsvormen van dezelfde politiek: de bescherming van private machtsregimes tegen democratisering. Daartegenover staat de progressieve ambitie om economische én culturele machtsverhoudingen gelijkwaardiger te maken.
Die analyse is prikkelend, maar verklaart nog niet voldoende waarom het conservatieve verhaal juist nu zoveel mensen aantrekt. Burgers kiezen niet alleen voor conservatieve of radicaal-rechtse partijen omdat zij bestaande hiërarchieën willen handhaven. Velen zoeken ook erkenning voor het gevoel dat hun omgeving minder vertrouwd, hun maatschappelijke positie minder zeker en hun stem minder betekenisvol is geworden.
Conservatieve politiek spreekt niet uitsluitend een verlangen naar orde aan. Ze appelleert eveneens aan een gevoel van verlies. Daarmee belooft zij burgers grenzen, herkenbaarheid en herstel. Dat antwoord kan nostalgisch of autoritair van aard zijn, maar het haakt wel aan bij ervaringen die progressieven lange tijd niet goed hebben weten te benoemen.
Verlies is geen mislukte aanpassing
Verlies is een van de grote blinde vlekken van de moderne politiek geworden, zo betoog ik elders.[2] Decennialang golden modernisering, globalisering en technologische ontwikkeling vrijwel automatisch als vooruitgang. De aandacht ging uit naar de kansen die zij creëerden; veel minder naar wat onderweg verdween.
Modernisering maakt mensen vrijer, mobieler en zelfstandiger, maar kan hen tegelijk losmaken van vertrouwde verbanden en instituties. Flexibiliteit kan onzekerheid met zich meebrengen. Schaalvergroting kan leiden tot afstand. Efficiëntie kan nabijheid verdringen. Digitalisering en AI kunnen menselijke aanspreekbaarheid doen vervluchtigen.
Dit verlies is niet simpelweg nostalgie of weerstand tegen vernieuwing. Het is evenmin een individueel aanpassingsprobleem dat met scholing, financiële compensatie of betere communicatie kan worden opgelost. Het ontstaat mede doordat politieke en economische keuzes de sociale infrastructuur van het dagelijks leven aantasten.
Ook hierin laat de invloed van technocratisch bestuur zich gelden. Wanneer vernieuwing hoofdzakelijk wordt beoordeeld in termen van doelmatigheid, productiviteit en meetbaar resultaat, raken moeilijk kwantificeerbare waarden uit het zicht. Nabijheid, herkenning, continuïteit en verbondenheid tellen dan nauwelijks mee. Economische efficiëntie kan zo leiden tot maatschappelijke verschraling.
Wanneer een loket, busverbinding, bibliotheek, buurthuis of andere lokale voorziening verdwijnt, betekent dat meer dan een langere reistijd of een dienstverlening die minder toegankelijk wordt. Het wekt de indruk dat instituties zich terugtrekken: de overheid blijft formeel aanwezig, maar komt in het dagelijks leven steeds verder van de burger af te staan.
De politiek boet daardoor in op haar sturend vermogen. Instituties groeien uit tot grotere, abstractere organisaties, die voor burgers moeilijker aanspreekbaar zijn. Besluiten worden op afstand genomen en in technische taal verantwoord, ver van de leefwereld waarop ze ingrijpen. Burgers ondervinden de gevolgen. Ze herkennen zichzelf nauwelijks nog in de afwegingen die eraan voorafgingen. Zo gaan met de voorziening ook erkenning, sociale samenhang en democratische invloed verloren.
Van geproduceerd verlies naar politiek onbehagen
Vanuit deze invalshoek krijgt politiek onbehagen een andere lading. Dit fenomeen valt niet afdoende te verklaren uit culturele behoudzucht, desinformatie of angst voor verandering; Avelino en Claassen reduceren het daar ook niet toe. Toch is het goed om het vizier meer te richten op de wortels van het onbehagen: concrete ervaringen van maatschappelijke onthechting, niet zozeer onder een specifieke groep burgers maar als een wijdverbreid sociaal fenomeen.
Wanneer progressieve politiek dit soort ervaringen vooral corrigeert of relativeert, geeft zij daarmee het initiatief uit handen aan partijen die deze wel erkennen. Radicaal-rechts biedt meestal geen geloofwaardige oplossing voor institutionele verschraling of economische onzekerheid, maar het geeft het verlies wel een taal. Het wijst schuldigen aan, belooft herstel en verleent waardigheid aan mensen die zich genegeerd voelen. Dat maakt het vertelde verhaal politiek effectief, ook wanneer de voorgestelde oplossingen improductief zijn en uitsluiting en nieuwe ongelijkheid voortbrengen.
Avelino en Claassen stellen terecht dat progressieven de menselijke behoefte aan gemeenschap en geborgenheid niet aan conservatieven mogen overlaten. Gemeenschap is echter meer dan een waarde of toekomstideaal: zij vraagt om een materiële en institutionele basis.
Verbondenheid ontstaat op plaatsen waar mensen elkaar ontmoeten en gezamenlijk verantwoordelijkheid kunnen nemen: op scholen, in verenigingen en vakbonden, in buurtvoorzieningen, bedrijven, bibliotheken, zorginstellingen en bewonersinitiatieven. Wie gemeenschap wil herstellen, zal dan ook moeten investeren in de infrastructuur waarin zij tot bloei kan komen. Een inclusief verhaal over verbondenheid is pas overtuigend wanneer het wordt gedragen door instituties die nabij, toegankelijk en aanspreekbaar zijn.
Iedere vooruitgang kent verlies
De verlieslens scherpt de vier kantelingen van Avelino en Claassen verder aan. Bij technologische transformatie moet worden gevraagd welke nieuwe mogelijkheden ontstaan en ook welke beroepen, vaardigheden, relaties en vormen van autonomie in het gedrang komen. Een rechtvaardige transitie vraagt om compensatie achteraf, maar evengoed om democratische zeggenschap over wat wordt ingevoerd en wat wordt afgebouwd.
De overgang van economische groei naar het goede leven krijgt eveneens meer inhoud wanneer verlies wordt meegewogen. Het goede leven bestaat niet alleen uit duurzaamheid en een betere verdeling van geld en macht, maar daarnaast ook uit continuïteit, sociale zekerheid, publieke nabijheid en de mogelijkheid een toekomst op te bouwen. Mensen moeten de noodzaak van verandering begrijpen én merken dat die hen als burgers en als gemeenschap sterker maakt.
Bij diversiteit is van belang dat vooruitgang verschillend kan worden beleefd. De kanteling naar gemeenschap vereist meer dan een inclusieve nationale vertelling. Zij vraagt om herstel van maatschappelijke plekken en verbanden waarin burgers invloed kunnen uitoefenen, verschillen kunnen overbruggen en zich deel kunnen voelen van een groter geheel. Gemeenschap is meer dan een gevoel; zij is ook een democratische praktijk.
Vooruitgang die weet wat zij achterlaat
De belangrijkste verdienste van Het progressieve streven is dat Avelino en Claassen progressieve politiek opnieuw een normatieve richting geven. Zij verbinden economische en culturele gelijkwaardigheid, stellen machtsconcentraties ter discussie en zoeken naar een vooruitgangsbegrip dat niet langer samenvalt met technologie, groei en onbegrensde individuele bevrijding.
Hun artikel is daarom veel meer dan een verdediging van de naam Progressief Nederland. Het is een poging de ideologische inzet van progressiviteit opnieuw zichtbaar te maken. In een tijd waarin progressieven zich gemakkelijk laten opsluiten in de verdediging van bestaande instituties en verworven rechten, is dat een belangrijke bijdrage.
Maar de egalitaire droom kan niet alleen worden herijkt door een aantrekkelijker toekomstbeeld te ontwerpen. Zij moet ook rekenschap afleggen van wat eerdere vormen van vooruitgang hebben afgebroken. De gevolgen van modernisering zijn zowel economisch als sociaal: zij brengt winnaars en verliezers voort en verandert de verbanden, plaatsen en instituties die mensen zingeving, erkenning en zekerheid bieden.
De invulling die Avelino en Claassen aan het begrip progressief geven, is normatief aantrekkelijk en intellectueel steekhoudend. Daarmee is echter nog niet verklaard waarom de progressieve politiek momenteel zo weinig aantrekkingskracht heeft. In de politieke arena volstaat het niet de correcte beginselen te formuleren; minstens zo belangrijk is te begrijpen waarom een aanzienlijk deel van de burgers zich in die beginselen, of in de manier waarop zij politiek worden vertaald, niet herkent. Dat gebrek aan steun kan niet eenvoudigweg worden afgedaan als onwetendheid, behoudzucht of weerstand tegen vernieuwing. Het verwijst ook naar reële ervaringen van onzekerheid, verlies en verminderde zeggenschap.
Progressieven mogen de ongemakkelijke kanten van hun eigen idealen niet uit de weg gaan. Principiële keuzes stuiten in de praktijk vaak op botsende belangen, uiteenlopende waarden en een weerbarstige werkelijkheid. Het is moeilijk om bezwaren aan te dragen tegen het ideaal van een egalitaire samenleving. Wie wil niet meer gelijkwaardigheid? Het probleem is dat ook emancipatoire verandering winnaars en verliezers kent: wat voor de ene groep bevrijding, erkenning of meer zeggenschap betekent, kan door een andere groep worden ervaren als verlies van positie, vertrouwdheid of invloed.
Er moet dan ook onderscheid worden gemaakt tussen het inleveren van privilege en macht aan de ene kant en het aantasten van bestaanszekerheid, vertrouwdheid en democratische invloed aan de andere kant. Zonder dat onderscheid ontaardt het debat gemakkelijk in wederzijdse morele verdachtmaking. Reële achteruitgang kan dan als behoudzucht worden afgedaan, terwijl het prijsgeven van privileges omgekeerd als onrecht kan worden voorgesteld.
De politieke vraag is niet hoe ieder verlies kan worden voorkomen, maar wat aanvaardbaar, noodzakelijk of juist onrechtvaardig is om op te geven. Progressieve politiek moet dat onderscheid expliciet maken. Zij moet durven zeggen welke verhoudingen niet behouden kunnen blijven. Tegelijk moet zij onderkennen welke vormen van zekerheid, verbondenheid en erkenning mensen nodig hebben bij ingrijpende hervormingen.
Verschillende auteurs helpen de keerzijde van modernisering scherper te begrijpen. Andreas Reckwitz ontleedt de ontwortelende werking van modernisering, Catherine de Vries de politieke gevolgen daarvan. Michèle Lamont richt de focus op waardigheid en maatschappelijke erkenning, Pierre Rosanvallon op nabijheid als voorwaarde voor democratische legitimiteit. Samen maken deze auteurs duidelijk dat vooruitgang niet alleen moet worden beoordeeld naar wat zij mogelijk maakt, maar ook naar wat mensen nodig hebben om als volwaardige burgers te functioneren.
Reckwitz: de paradox van de vooruitgang
In Verlies - Een kernprobleem van de moderniteit[3] geeft de Duitse socioloog Andreas Reckwitz dit verlies van zekerheid en grip een theoretische plaats. Zijn kernstelling luidt dat verlies geen toevallig neveneffect van modernisering is: het behoort tot de dynamiek van de moderniteit zelf. Wanneer een samenleving zich voortdurend vernieuwt, komen levenslopen, vertrouwde praktijken en toekomstverwachtingen onvermijdelijk onder druk te staan.
Zo verschuift hij de blik van incidentele schade naar een structurele spanning binnen het vooruitgangsproces zelf. Daarin schuilt een paradox. Hoe sterker van mensen wordt verlangd dat zij flexibel zijn, zich aanpassen en openstaan voor vernieuwing, des te groter kan de behoefte worden aan stabiliteit, continuïteit en nabijheid. Dat zijn geen achterhaalde verlangens van mensen die de moderne wereld niet aankunnen. De behoefte aan houvast en herkenbaarheid is alleszins begrijpelijk.
Reckwitz wijst op de asymmetrie in het moderne vooruitgangsdenken: vernieuwing krijgt vanzelfsprekend betekenis en legitimiteit, terwijl wat daardoor verdwijnt gemakkelijk als achterhaald wordt beschouwd. Zijn analyse dwingt tot een bredere beoordeling van ontwikkelingen, waarbij zowel de waarde van het nieuwe als de waarde van wat dreigt te verdwijnen wordt meegewogen.
De Vries: wanneer verlies politiek wordt
Waar Reckwitz de structurele spanning in het moderniseringsproces blootlegt, schetst Catherine de Vries in De symfonie van onvrede - De opmars van radicaal-rechts in Europa[4] hoe zulke ervaringen politiek met elkaar verstrengeld raken. Haar accent ligt op de cumulatie: afzonderlijke ontwikkelingen hoeven niet ingrijpend te lijken. Desondanks kunnen zij bij elkaar opgeteld het gevoel versterken dat de leefwereld minder herkenbaar en bestuurbaar wordt.
Ook immaterieel heeft dit effecten. Volgens De Vries worden veranderingen mede beoordeeld op wat zij zeggen over de plaats van mensen en gemeenschappen in de samenleving. Als verschillende vormen van afstand zich opstapelen, kan het gevoel ontstaan dat de eigen leefwereld in politieke en bestuurlijke afwegingen onvoldoende gewicht krijgt.
Onbehagen komt voort uit wat verandert én uit de ervaring weinig invloed te hebben op de richting en het tempo van veranderingen. De Vries maakt legt bloot hoe onthechting het vertrouwen in instituties en in de politieke orde kan ondermijnen.
Hierin ligt ook een deel van de aantrekkingskracht van radicaal-rechts. Dit type partijen weet uiteenlopende ervaringen van achteruitgang en vervreemding samen te brengen in één politiek verhaal. De kracht daarvan schuilt niet noodzakelijk in de kwaliteit van de oplossingen, maar in het vermogen diffuse onvrede te bundelen en van een herkenbare interpretatie te voorzien.
Lamont: wanneer verlies miskenning wordt
Precies daar verdiept het werk van de Amerikaanse socioloog Michèle Lamont de analyse. In Seeing Others - How to Redefine Worth in a Divided World[5] onderzoekt zij hoe samenlevingen bepalen wie waardering verdient, welke levens als geslaagd gelden en wie als waardevol lid van de samenleving wordt gezien. Ongelijkheid betreft volgens haar niet alleen inkomen, bezit en kansen. Ook maatschappelijke erkenning en waardigheid zijn ongelijk verdeeld.
Een samenleving die vooral hoge opleiding, economische prestaties, flexibiliteit en individuele ontplooiing honoreert, creëert een hiërarchie van waardering. Wie aan die maatstaven voldoet, geniet aanzien. Wie er minder goed in past, loopt het risico als achterblijver te worden beschouwd. Praktische kennis, ambachtelijk werk, zorg, vrijwilligerswerk en lokale verbondenheid kunnen daardoor een lagere status krijgen, hoewel zij van grote betekenis zijn voor de samenleving.
Hier raakt Lamont aan zowel Reckwitz als De Vries. De erosie van een beroep, voorziening of vertrouwde omgeving kan het gevoel aantasten dat de eigen kennis, levenswijze en bijdrage ertoe doen. Verlies krijgt dan een existentiële lading: niet alleen wat ik had kan teloorgaan, ook wie ik ben en wat ik beteken lijken minder te tellen.
Institutionele terugtrekking kan zo ook als miskenning worden beleefd. Het wegvallen van een voorziening zegt dan niet alleen dat mensen voortaan moeilijker kunnen reizen of gedwongen worden om digitaal hun financiële zaken af te handelen. Het impliceert ook dat hun dorp, wijk of manier van leven kennelijk minder zwaar weegt. Materieel verlies, institutionele afstand en culturele miskenning versterken elkaar zo.
Hierin ligt een waarschuwing voor progressieve politiek besloten. Een reactie die vooral steunt op expertise, feiten en betere uitleg kan onbedoeld suggereren dat burgers hun eigen situatie kennelijk niet goed begrijpen. Erkenning betekent niet dat met iedere opvatting moet worden ingestemd of dat ieder verlies moet worden hersteld. Wel betekent zij dat mensen niet eerst aan dominante maatstaven van succes, opleiding of levensstijl hoeven te voldoen om als gelijkwaardige burgers te worden beschouwd.[6]
Rosanvallon: erkenning moet een institutionele vorm krijgen
Erkenning mag niet beperkt blijven tot een vriendelijkere politieke toon. De Franse historicus en politieke denker Pierre Rosanvallon biedt aanknopingspunten om de stap van erkenning naar instituties te zetten. In Democratic Legitimacy - Impartiality, Reflexivity, Proximity[7] beschouwt hij nabijheid — proximité — als een zelfstandige bron van democratische legitimiteit. Zonder algemene regels en rechtsgelijkheid kan nabijheid ontaarden in willekeur; zonder nabijheid echter wordt algemeen beleid abstract en afstandelijk.
Bij Rosanvallon omvat nabijheid meer dan wijkbezoeken van politici of een luisterende houding van bestuurders. Democratische macht moet ook oog hebben voor individuele levens en bijzondere omstandigheden die in algemene regels, statistieken en beleidsmodellen gemakkelijk buiten beeld raken. Burgers willen niet alleen formeel gelijk worden behandeld. Zij willen ook merken dat beleidsmakers en uitvoerders rekening houden met de concrete gevolgen van hun beslissingen.
In zijn latere Les Épreuves de la vie[8] – geschreven na de opkomst van de gele hesjes-beweging in Frankrijk - wordt duidelijk waarom dat belangrijk is. Mensen ondervinden via alledaagse beproevingen wat de samenleving voor hen in negatieve zin in petto heeft: onzekerheid, onrecht, minachting, discriminatie en miskenning. Materiële bescherming blijft noodzakelijk. Ze volstaat echter niet. Instituties moeten ook kennis hebben van de dagelijkse werkelijkheid van burgers en daarop aanspreekbaar zijn.
Vier politieke opdrachten
Wat bij Reckwitz begint als verlies, bij De Vries politiek onbehagen wordt en bij Lamont als miskenning verschijnt, krijgt bij Rosanvallon een democratisch-institutionele betekenis. Vooruitgang moet niet alleen worden beoordeeld naar wat zij oplevert, maar ook naar wat zij aantast: bestaanszekerheid, publieke aanwezigheid, sociale waardering en democratische invloed.
Wie verlies serieus neemt, moet verder gaan dan begrip tonen voor het onbehagen dat eruit voortkomt. De politieke vraag is hoe verandering zo kan worden vormgegeven dat vermijdbaar verlies wordt beperkt en burgers invloed houden op wat hun leven raakt. Niet alles kan worden behouden en niet iedere ontwikkeling kan worden tegengehouden. Toch kan de politiek wel keuzes maken over richting, tempo en verdeling van de gevolgen. Vanuit dat perspectief dienen zich vier opdrachten aan voor een progressieve politiek die vernieuwing aandurft, zonder uit het oog te verliezen wat daarbij op het spel staat
Eerste opdracht: publieke nabijheid herstellen
Een school, bibliotheek, buurthuis, busverbinding, wijkteam of huisartsenpraktijk is meer dan een voorziening die zo doelmatig mogelijk moet worden georganiseerd. Juist in zulke voorzieningen krijgt publieke nabijheid gestalte.
Nodig is een bredere maatstaf dan doelmatigheid alleen: bereikbaarheid en aanspreekbaarheid moeten weer als publieke waarden gelden. Wie deze waarden als uitgangspunt neemt, kan schaalvergroting niet langer als vanzelfsprekende winst beschouwen. Soms is het fysieke loket naast de digitale dienst de voorwaarde voor nabijheid, en verdient een basisvoorziening bescherming, ook waar haar bedrijfsmatige rendement gering is.
Datzelfde geldt voor wie in die voorzieningen werkt: mensen in hun concrete omstandigheden tegemoetkomen vraagt om tijd en beslisruimte, niet enkel om een protocol. Zo wordt nabijheid geen beginselverklaring, maar een manier waarop publieke dienstverlening daadwerkelijk kan worden ingericht.
Tweede opdracht: maatschappelijke verbanden versterken
Verbondenheid kan niet door de overheid worden afgekondigd of bij burgers worden besteld. Zij ontstaat waar mensen elkaar treffen, samenwerken, conflicten uitvechten en verantwoordelijkheid dragen. Scholen, vakbonden, sportverenigingen, culturele organisaties, bewonersinitiatieven, beroepsverenigingen en coöperaties zijn daarom meer dan particuliere verbanden naast de staat. Het zijn plaatsen waar burgerschap wordt beoefend en waar mensen zich deel weten van een groter geheel.
Ook in de progressieve politiek verdient dit maatschappelijk middenveld een robuustere plek: niet als vangnet voor taken die de overheid afstoot, maar als een vitale maatschappelijke sfeer die het waard is om te stimuleren. Dat begint bij duurzame financiering in plaats van een opeenvolging van projecten, en bij de ruimte die bewonersinitiatieven, coöperaties, vakbonden en beroepsverenigingen krijgen om te kunnen floreren, met publieke plekken waar ontmoeting mogelijk blijft.
Gemeenschappelijkheid moet niet geromantiseerd worden. De overzichtelijke verbanden van vroeger boden geborgenheid, maar konden ook dwingend en uitsluitend zijn. De progressieve opgave is daarom niet om verloren gegane gemeenschappelijkheid nieuw leven in te blazen, maar om nieuwe vormen van verbondenheid mogelijk te maken. Die moeten herkenbaar en duurzaam zijn, zonder tot eenvormigheid te dwingen: open, pluriform en democratisch.
Derde opdracht: democratische zeggenschap vergroten
Verlies heeft ook te maken met macht. Veranderingen worden ingrijpender wanneer mensen het gevoel hebben dat deze hen overkomen en dat besluiten elders worden genomen. Veel vormen van participatie beginnen pas nadat de belangrijkste keuzes al zijn gemaakt. Democratische nabijheid vergt daarom meer dan gehoord worden: burgers moeten eerder invloed kunnen uitoefenen op beslissingen die betrekking hebben op hun werk, woonomgeving en voorzieningen.
Denk aan stevigere medezeggenschap bij woningcorporaties, scholen en zorginstellingen, aan burgerfora die aantoonbaar doorwerken in politieke besluitvorming, aan wijk- en dorpsbudgetten waarover bewoners daadwerkelijk beschikken, of aan meer zeggenschap van werknemers binnen hun onderneming. De precieze vorm is minder belangrijk dan het onderliggende principe.
De schaal waarop instituties zijn georganiseerd, bepaalt mede hoeveel zeggenschap in de praktijk mogelijk is. Wanneer organisaties zo groot worden dat niemand zich er nog eigenaar van voelt, verwordt zeggenschap al snel tot een formaliteit. Democratisering vraagt daarom om een schaal waarop burgers, bewoners en werknemers daadwerkelijk invloed kunnen uitoefenen op beslissingen die hen raken.
Vierde opdracht: vooruitgang opnieuw definiëren
Een politiek die zich primair richt op bescherming en herstel wordt uiteindelijk zelf conservatief. Progressieve politiek heeft een toekomstbeeld nodig waarin verandering opnieuw aan verbetering wordt gekoppeld. Dat vergt een ruimer begrip van vooruitgang dan het vertrouwde vocabulaire van groei, innovatie en individuele keuzevrijheid.
Betaalbaar wonen, bestaanszekerheid, gezondheid, tijd, goede publieke voorzieningen, sociale samenhang en een leefbare omgeving behoren evenzeer tot het goede leven. Daar sluit de verliesanalyse aan bij de kanteling die Avelino en Claassen bepleiten: de vraag is niet hoeveel vernieuwing een samenleving tot stand brengt, maar of maatschappelijke verandering mensen daadwerkelijk in staat stelt om beter te leven.
Zo krijgt vooruitgang opnieuw een concrete maat. Voor jongeren kan zij betekenen dat een betaalbare woning en gezinsvorming weer binnen bereik komen. De klimaattransitie geldt pas als vooruitgang wanneer verduurzaming lagere energielasten, beter openbaar vervoer en een prettigere leefomgeving oplevert, in plaats van vooral kosten en verplichtingen. Op de arbeidsmarkt betekent zij minder onzekerheid; voor regio’s buiten de economische centra dat publieke investeringen en voorzieningen niet vanzelfsprekend elders terechtkomen.
Zo’n toekomstbeeld vraagt tegelijk om politieke eerlijkheid. Verandering zal soms pijn doen en oude verhoudingen kunnen niet allemaal behouden blijven. Juist daarom moet progressieve politiek duidelijk maken welke nieuwe zekerheden zij wil bieden wanneer bestaande zekerheden verdwijnen, hoe lasten en kansen worden verdeeld en welke invloed burgers op dit proces krijgen.
De geloofwaardigheid van vooruitgang berust dan niet op de belofte dat alles beter wordt. Zij berust op de overtuiging dat noodzakelijke hervormingen niet gedachteloos over mensen worden uitgerold, dat vermijdbare ontwrichting wordt tegengegaan en dat vernieuwing ook nieuwe zekerheid en handelingsruimte kan scheppen.
De vier opdrachten hangen samen. Nabijheid zonder zeggenschap laat de verhouding tussen burger en bestuur ongemoeid. Maatschappelijke verbanden zonder bestaanszekerheid blijven kwetsbaar. En zeggenschap zonder sterke verbanden komt gemakkelijk terecht bij degenen die toch al de weg naar instituties kennen. Een ander idee van vooruitgang krijgt pas overtuigingskracht wanneer nabijheid, bestaanszekerheid, verbondenheid en zeggenschap elkaar versterken.
Dubbele taak
Geloofwaardige progressieve politiek moet twee dingen tegelijk kunnen: machtsverhoudingen doorbreken die ongelijkheid bestendigen én beschermen wat mensen nodig hebben om verandering te kunnen dragen. Zij moet emanciperen zonder te ontwortelen, vernieuwen zonder nabijheid af te breken en verduurzamen zonder burgers tot object van een nieuwe technocratische operatie te maken.
Een zekere terughoudendheid is geboden. De overheid mag van burgers niet verlangen dat zij zich goed voelen over veranderingen die hun leven ontwrichten. Verlies erkennen betekent niet voorschrijven hoe mensen het gemis behoren te ervaren. De politieke opdracht is niet om burgers te troosten of om boosheid, verdriet of onzekerheid om te vormen tot enthousiasme voor hervormingen. Het gaat erom noodzakelijke verandering rechtvaardig te organiseren, burgers er zeggenschap over te geven en reëel verlies waar mogelijk te beperken of te compenseren.
Daarmee krijgt ook de egalitaire droom van Avelino en Claassen meer politieke scherpte. Gelijkwaardigheid vraagt niet alleen om het doorbreken van oude machtsverhoudingen en om een progressief toekomstbeeld, maar ook om oog voor de gevolgen van maatschappelijke omwentelingen in het dagelijks leven. Wie vooruit wil, moet weten wat onderweg dreigt te sneuvelen, wat noodzakelijk of billijk is om op te geven, en waar nieuwe zekerheid, verbondenheid en zeggenschap moeten worden opgebouwd.
Vooruitgang wordt pas geloofwaardig wanneer zij rechtvaardig wordt vormgegeven, verlies serieus wordt genomen en burgers daadwerkelijk zeggenschap krijgen over hun toekomst.
[1] Avelino, F., & Claassen, R. (2026). Het progressieve streven. In: S&D 2026/4.
[2] Krijnen, H. (2026). Hoe verlies de blinde vlek werd van de politiek. Sociale Vraagstukken.
[3] Reckwitz, A. (2024). Verlies. Een kernprobleem van de moderniteit. Atlas Contact.
[4] De Vries, C. (2025). De symfonie van onvrede. De opmars van radicaal-rechts in Europa. Prometheus.
[5] Lamont, M. (2023). Seeing Others. How to Redefine Worth in a Divided World. Allen Lane.
[6] Ook andere auteurs verbinden maatschappelijke waardering nadrukkelijk met progressieve politiek. Dick Pels laat in De economie van de eer (2007, Ambo) zien hoe een meritocratische waarderingsorde diploma’s, economisch succes en status tot maatstaven voor persoonlijk succes maakt. Burgers en Tang schetsen in het artikel ‘Een cultuurstrijd over waardigheid’ in S&D 2025/2 zienwaarom waardigheid een sleutelbegrip in progressieve politiek moet worden.
[7] Rosanvallon, P. (2011). Democratic Legitimacy. Impartiality, Reflexivity, Proximity (A. Goldhammer, vert.). Princeton University Press.
[8] Rosanvallon, P. (2021). Les Épreuves de la vie. Comprendre autrement les Français. Seuil.