In economics, it is professionally better to be associated with highly respectable error than uncertainly established truth.
John Kenneth Galbraith, The Affluent Society, Introduction to the third edition, p.xii (1976)
In juni was ik te gast in de podcast van Telegraaf-journalist Martin Visser om te praten over de betaalbaarheid van de sociale zekerheid. Hij kon zich goed vinden in mijn argumenten dat vergrijzing de AOW en andere sociale uitkeringen, zoals de WW en de WIA, niet onbetaalbaar maakt. Maar toen we op de zorguitgaven kwamen, stokte de overeenstemming. We waren het erover eens dat de kosten van de (gezondheids)zorg de komende decennia zullen oplopen. Maar is dat een probleem?
Martin Visser vond van wel, want die oplopende zorgkosten moeten worden opgebracht door het bedrijfsleven – zo verwoordde hij een veel gehoord standpunt. Ik bracht daar tegenin dat er geen wezenlijk verschil is tussen de kosten van een biertje in een café en de kosten van een doktersbezoek. Toch worden extra bestedingen in de horeca – of in een willekeurige andere private sector – steevast geïnterpreteerd als een bijdrage aan het bruto binnenlands product (bbp), terwijl zorguitgaven als een last of kostenpost worden gezien.
Ook bestedingen aan de zorg dragen echter bij aan ons bbp – daar was Martin Visser het dan weer wel mee eens. Het enige verschil, zo ging ik verder, is dat we individueel beslissen over en betalen voor bestedingen in de horeca – neem ik dat tweede biertje wel of niet? – terwijl we over zorguitgaven deels gezamenlijk beslissen en deze grotendeels collectief financieren.
Ik bleek mij in goed gezelschap te bevinden, want dezelfde week voerde Thomas Piketty – steevast aangeduid als ‘stereconoom’ – eenzelfde discussie met twee journalisten van NRC (6 en 7 juni 2026). Als deze hem vragen hoe onderwijs en zorg ‘zichzelf terugbetalen’ antwoordt Piketty, licht geïrriteerd:
‘Ik begrijp u echt niet. Als de helft van de bevolking onderwijs en zorg levert, en de andere helft voedsel en energie produceert, werken ze voor elkaar. De gedachte dat de ene helft de andere betaalde, maar niet andersom, is economisch heel merkwaardig.’
Dit is geen nieuwe discussie. Verre van dat. Bijna zeventig jaar geleden, in 1958, betoogde John Kenneth Galbraith in zijn boek The Affluent Society dat groei van de private bestedingen samen zou moeten gaan met een ten minste even sterke groei van de publieke sector.
Galbraith constateerde dat Amerika door de sterk gestegen welvaart een ‘affluent society’ was geworden. Maar desondanks heerste onder economen nog altijd de opvatting (door hem als ‘conventional wisdom’ aangeduid) dat vergroting van de particuliere consumptie prioriteit verdiende boven publieke voorzieningen. Daardoor was de productie van publieke goederen en diensten steeds verder achtergebleven.
Zijn favoriete voorbeeld – let wel, we schrijven 1958! – was de auto. Naarmate er meer auto’s rondrijden, zijn er ook meer wegen, verkeerslichten en parkeerplaatsen nodig. De publieke sector moet dus ten minste gelijke tred houden met de particuliere bestedingen. Gebeurt dat niet, dan resulteert ‘private opulence and public squalor’ (‘private rijkdom en publieke armoede’).[i]
Om de kwaliteit van het bestaan
The Affluent Society was een belangrijke inspiratiebron voor Joop den Uyl – destijds directeur van de Wiardi Beckman Stichting – bij het schrijven van Om de kwaliteit van het bestaan dat in1963 uitkwam. Waar Galbraith erop wees dat de groei van particuliere consumptiegoederen meer publieke voorzieningen vereist, benadrukt Om de kwaliteit van het bestaan dat publieke voorzieningen méér bijdragen aan het welzijn van de bevolking en aan rechtvaardiger verhoudingen dan particuliere consumptie:
‘De vraag dringt zich op of een ongekwalificeerde welvaartsgroei, of scherper aangeduid, een groei van het reële inkomen per hoofd van de bevolking, die niet nader wordt gericht en afgestemd dan in de bestaande maatschappelijke orde het geval is, tot groter welzijn en rechtvaardiger verhoudingen leidt.’
Er is ‘een jacht [ontstaan] naar duurzame consumptiegoederen, naar reizen en recreatie, naar beter wonen, kortom naar het deelhebben aan tot voor kort onbekende vormen van ontplooiing’. Maar: ‘in de maatschappelijke diensten, bij de verpleging van zieken en gebrekkigen doen zich grote tekorten voor, die vaak een schrijnend karakter hebben, vooral wanneer daar tegenover staat een overvloedig aanbod ter bevrediging van luxe behoeften’.
Om de kwaliteit van het bestaan geeft daarnaast als reden voor meer publieke diensten, dat zij bijdragen aan ‘rechtvaardiger verhoudingen’. Daarbij moeten we niet in de eerste plaats denken aan herverdeling van inkomens via sociale uitkeringen en belastingheffing, maar aan het feit dat mensen met lage inkomens in beginsel evenveel profijt trekken van collectieve voorzieningen als mensen met hoge inkomens. Publieke voorzieningen hebben daarmee een nivellerend effect.
De remedie van Den Uyl
Vier jaar na Om de kwaliteit van het bestaan, in 1967 publiceerde de Amerikaanse econoom William Baumol een van de meest geciteerde economische artikelen ooit, Macroeconomics of unbalanced growth. Hierin betoogde hij dat de kosten van publieke diensten sneller stijgen dan die van private goederen en diensten, doordat de productiviteit in de publieke sector achterblijft bij die in de marktsector.
Publieke diensten zijn over het algemeen arbeidsintensief en kunnen slechts in beperkte mate worden geautomatiseerd. Omdat de salarissen in de publieke sector en in de marktsector gelijk op gaan – anders wil niemand meer bij de overheid werken – stijgen de uitgaven voor publieke diensten sneller en beslaan een steeds groter deel van het nationaal inkomen. Deze zogenoemde kostenziekte van Baumol is nog altijd een van de meest gehoorde argumenten voor bezuinigingen op de publieke sector – zie mijn discussie met Martin Visser.
Vier jaar vóór Baumol maakte Den Uyl in Om de kwaliteit van het bestaan echter al dezelfde analyse. Maar Den Uyl verbond er – mijns inziens terecht – precies de tegenovergestelde conclusie aan.
‘Geleidelijk breekt het inzicht door’ [schreef hij hoopvol] ‘dat het gelijkblijven van het overheidsaandeel in de nationale bestedingen onvermijdelijk moet leiden tot een kwalitatieve en kwantitatieve achteruitgang van de overheidsdiensten, omdat het op zijn minst waarschijnlijk is dat de produktiviteit en dus de prestatie per werknemer bij de overheid langzamer kan stijgen dan bij de werknemers in het particuliere bedrijfsleven.’ (p.21)
In plaats van ons op de ‘ziekte van Baumol’ te beroepen als reden dat er op de publieke sector bezuinigd moet worden, stel ik voor om in het vervolg naar de ‘remedie van Den Uyl’ te verwijzen: om te voorkomen dat de publieke voorzieningen achteropraken bij de particuliere consumptie, moeten we een steeds groter deel van het bbp aan publieke voorzieningen besteden. Doen we dit niet en blijft het aandeel van de publieke voorzieningen in het bbp gelijk, dan zal de publieke dienstverlening onvermijdelijk in omvang en/of kwaliteit achterblijven bij de particuliere consumptie.
Groei en krimp van de publieke sector
Om de kwaliteit van het bestaan was niet alleen de titel van een WBS-rapport, maar ook van het PvdA-verkiezingsprogramma voor 1963. Om de kwaliteit van het bestaan leverde de PvdA echter geen electorale winst maar een klein verlies op. Toch won het gedachtegoed van Om de kwaliteit van het bestaan in de loop van de jaren zestig en in de jaren zeventig geleidelijk aan populariteit.
Hoewel de PvdA in de jaren zestig slechts kortstondig meeregeerde, nam het aandeel van de collectieve uitgaven in het nationaal inkomen toch toe (zie figuur 1). Weliswaar ging het daarbij voornamelijk om groei van de overdrachtsuitgaven (vooral sociale uitkeringen), maar ook het aandeel van de collectieve dienstverlening in het bbp nam licht toe, van 20% in 1963 naar bijna 22% in 1970. In de jaren zeventig kon Den Uyl daar zelf als premier (1973-1977) nog bijna twee procentpunt aan toevoegen, waardoor in 1980 bijna een kwart van het bbp (23,3%) aan collectieve diensten werd besteed.
Dat de collectieve uitgaven na het kabinet-Den Uyl nog verder opliepen, kwam alleen door de sterk stijgende uitgaven aan sociale uitkeringen. De uitgaven aan publieke diensten daalden juist weer naar 20% in 1990 – hetzelfde niveau als in 1963. Sinds 1990 schommelt het aandeel van de publieke diensten tussen 18% en 20% van het bbp.
Dit onderscheid tussen inkomensoverdrachten en overheidsbestedingen (publieke diensten) is belangrijk, want groei van de inkomensoverdrachten heeft – anders dan groei van de overheidsbestedingen – geen invloed op de verhouding tussen private goederen en publieke diensten, maar alleen op de verdeling van die private goederen over de bevolking.
Figuur 1. Aandeel van overheidsbestedingen (consumptie en investeringen) en van de overdrachtsuitgaven in % van het bbp, 1963-2024

Bron: CBS (Statline); eigen bewerking
Noot: De piek in overheidsbestedingen in 1995 was het gevolg van de bruteringsoperatie in de volkshuisvesting.
Als ik de remedie van Den Uyl nogmaals in herinnering roep, betekent de lichte daling van het aandeel van de publieke diensten in het bbp in de afgelopen veertig jaar dat zij in omvang en/of kwaliteit zijn achtergebleven bij de groei van de private productie. Hoeveel? Dat is niet zo eenvoudig vast te stellen, maar in figuur 2 vergelijk ik de volumeontwikkeling van de productie van de overheid, het onderwijs en zorg en welzijn – als benadering van de publieke voorzieningen – en de volumeontwikkeling van de marktsector (alle overige sectoren) sinds 1969. Ik stel beide in 1969 op 100 en corrigeer ze voor de groei van de bevolking.
Figuur 2. Volume-ontwikkeling productie marktsector en publieke sector, 1970-2024 (1970=100)
Bron: CBS (Statline); eigen bewerking
Tussen 1969 en 1987 groeiden de publieke sector en de marktsector per saldo even sterk, met 40% per hoofd van de bevolking. Zowel de private als de collectieve welvaart nam dus met 40% toe. Toen de marktsector in 1979 in een diepe economische crisis kromp, groeide de publieke sector aanvankelijk door. Maar het koor van economen zwol aan dat stelde dat de groei van de publieke sector een zware last vormde voor de marktsector en economisch herstel in de weg stond, zich onder meer beroepend op de ziekte van Baumol.
De kabinetten-Lubbers (1982-1994) namen deze diagnose over en riepen de groei van de publieke sector een halt toe. Niet alleen door hard in te grijpen in de sociale zekerheid, maar ook in de publieke dienstverlening. Terwijl de private productie per hoofd van de bevolking tussen 1982 en 1995 met 39% groeide, bleef het niveau van publieke dienstverlening per capita vrijwel gelijk (+3%).
Pas in de tweede helft van de jaren negentig kwam er weer een opwaartse beweging in de publieke dienstverlening, vooral door de groei van de zorg.[ii] Maar tussen 1982 en 2024 groeide de publieke dienstverlening per hoofd van de bevolking met slechts 39%, terwijl de private productie driemaal zo sterk groeide, met 120%.
Dit klinkt misschien nogal abstract. Om het concreter te maken, vergelijk ik in figuur 3 twee kenmerkende voorbeelden van private consumptie en publieke dienstverlening, namelijk het aantal personenauto’s per hoofd van de bevolking en het aantal leerkrachten per honderd leerlingen in het primair onderwijs. Ik stel beide in 1993 op 100. Terwijl het aantal auto’s per inwoner sinds 1993 bijna is verdubbeld, is het aantal leraren per leerling per saldo gelijk gebleven. Daar komt nog bij dat de kwaliteit van auto’s, in termen van comfort en veiligheid, in die ruim dertig jaar aanzienlijk is verbeterd, terwijl over de kwaliteit van het onderwijs veel klachten te horen zijn.
Figuur 3. Index (1993=100) van het aantal personenauto’s per hoofd van de bevolking en het aantal leraren per honderd leerlingen in het primair onderwijs, 1993-2024
Bron: CBS (Statline); eigen bewerking
In het licht van deze cijfers wekken de vele kritische geluiden over de publieke dienstverlening geen verbazing. Als het niveau of de kwaliteit van publieke diensten systematisch achterblijft bij wat we als consumenten op de markt kunnen kopen, is het niet verwonderlijk dat mensen ontevreden worden. Zie ook het recente boek De symfonie van onvrede van Catherine de Vries. En het is evenmin verwonderlijk dat ze daarvoor vooral partijen verantwoordelijk stellen die zich sterk met de publieke sector identificeren – zoals de PvdA.
Die onvrede heeft ook bijgedragen aan de wildgroei van private aanbieders van wat in het verleden louter publieke diensten leken: particuliere klinieken, commerciële bijscholingsinstituten, private kinderopvang, particuliere beveiliging. Paradoxaal genoeg heeft dit de bereidheid om voor publieke diensten te betalen ook geen goed gedaan.
Als private aanbieders meer, sneller of betere diensten leveren dan publieke dienstverleners, bepalen veel mensen liever zelf waarvoor zij betalen in plaats van belasting af te dragen. Zo is de publieke dienstverlening in een neerwaartse spiraal terechtgekomen van tekorten, wachtlijsten, (relatief) dalende kwaliteit, meer concurrentie van private aanbieders en afnemende bereidheid om ervoor te betalen.
Argumenten voor groei van de publieke sector
Biedt Om de kwaliteit van het bestaan ons nu, meer dan zestig jaar later, nog handvatten om uit deze negatieve spiraal te ontsnappen? Bij herlezing frappeerde het mij hoe actueel en relevant het rapport nog steeds is. Het zou mijns inziens een belangrijke inspiratiebron moeten zijn voor een vernieuwde progressieve visie op de publieke sector.
Dat geldt allereerst voor de vier argumenten die Om de kwaliteit van het bestaan aanvoert voor uitbreiding van de publieke sector. Die hebben nog niets aan geldingskracht verloren. Ik vat ze nog eens kort samen.
Allereerst vraagt de groei van private goederen om groei van de publieke dienstverlening. Meer wegen bij uitbreiding van het autopark. Meer parken, speelplaatsen, riolering en afvalinzameling als de woningvoorraad groeit. Meer onderwijs om de kenniseconomie te ondersteunen. Enzovoorts.
In de tweede plaats hechten we, naarmate we welvarender zijn, meer belang aan publieke voorzieningen. Denk aan gezondheidszorg, langdurige zorg en onderwijs, maar ook aan veiligheid. Ik twijfel er niet aan dat als mensen zouden kunnen kiezen tussen een extra vakantie of een tweede auto aan de ene kant of meer zorg voor ouderen of kleinere klassen aan de andere kant, vrijwel iedereen voor het laatste zou kiezen. Maar omdat mensen die keuze niet wordt voorgelegd, besteden we economische groei vooral aan private consumptie.
In de derde plaats is uitbreiding van publieke voorzieningen een effectieve manier om sociale ongelijkheid te bestrijden. Immers, de beschikbaarheid van publieke voorzieningen is in beginsel onafhankelijk van iemands inkomen, waardoor lagere inkomensgroepen er verhoudingsgewijs meer van profiteren. We kunnen er zelfs voor kiezen om publieke voorzieningen speciaal op lagere inkomensgroepen te richten.
Als vierde argument noem ik nogmaals de remedie van Den Uyl, beter bekend als de ziekte van Baumol. Als de publieke dienstverlening gelijke tred houdt met private productie, zal de publieke sector een steeds groter deel van het bbp uitmaken, doordat de arbeidsproductiviteit achterblijft bij die in de marktsector. Zoals gezegd is dit geen argument om te bezuinigen op de publieke sector, maar juist om er méér aan uit te geven.
Bij het vierde argument past wel een kanttekening. Dat de productiviteitsstijging in de publieke sector lager is dan in de private sector, komt niet door het publieke karakter van de sector, maar doordat het voornamelijk om arbeidsintensieve diensten gaat, zoals zorg en onderwijs. In sommige delen van de publieke sector kunnen nieuwe technologieën wel degelijk bijdragen aan een hogere productiviteit.
Juist wie voor hogere publieke uitgaven pleit, moet oog hebben voor de doeltreffendheid en doelmatigheid van de bestedingen: publieke middelen mogen zo min mogelijk worden verspild. Een pleidooi voor een grotere publieke sector dient daarom samen te gaan met een pleidooi voor een hogere efficiëntie – zonder dat dit ten koste gaat van de kwaliteit van de dienstverlening.
Twee extra argumenten
Ruim zestig jaar na Om de kwaliteit van het bestaan wil ik aan deze vier argumenten er nog twee toevoegen. Een vijfde argument is dat de grootste maatschappelijke problemen van vandaag alleen collectief zijn op te lossen: denk aan de klimaatverandering, vrede en veiligheid en de leefbaarheid van steden. In een wereld waarin we steeds afhankelijker van elkaar worden, is het een illusie te menen dat individuele keuzes op de markt de optimale uitkomst opleveren. Voor werkelijke vooruitgang in de kwaliteit van het bestaan zijn we juist steeds meer aangewezen op gecoördineerde, collectieve actie.
Een zesde argument, ten slotte, is dat groei van de publieke sector – die grotendeels een ‘immaterieel’ karakter heeft – met een veel minder grote ecologische voetdruk gepaard gaat dan groei van de private sector. Groei van de publieke sector draagt dus ook bij aan de overgang naar een duurzame economie, zoals Piketty c.s. in hun recente The Global Justice Report (Chancel et al. 2026) betogen.
Wat als ‘Om de kwaliteit van het bestaan’ gerealiseerd was?
Stel dat het programma van Om de kwaliteit van het bestaan was uitgevoerd? Wat zou het hebben betekend als het volume van de publieke sector na 1982 even sterk was gegroeid als dat van de marktsector? Figuur 4 laat zien dat het volume van de publieke dienstverlening per hoofd van de bevolking sinds 1982 dan niet met 40% zou zijn gegroeid maar met bijna 80%.
Omdat publieke sector en marktsector in dit scenario even sterk groeien, zou de private productie dus ook nog met bijna 80% zijn toegenomen in plaats van met 116% in werkelijkheid. Er zouden dan nu wat minder auto’s rondrijden, maar de klassen in het primair onderwijs zouden beduidend kleiner zijn. Vanwege de remedie van Den Uyl zouden we dan nu wel 5% van het bbp – bijna € 60 mrd – meer uitgeven aan de publieke sector.
Figuur 4. Feitelijke volume-ontwikkeling publieke sector en hypothetische ontwikkeling als markt- en publieke sector sinds 1982 even sterk waren gegroeid (1982=100)
Bron: CBS (Statline); eigen bewerking
Lagere economische groei? So what?
Tot slot kom ik terug op de ‘conventional wisdom’ waarmee ik dit artikel begon. Vormt groei van de publieke sector toch niet een last voor het bedrijfsleven en een rem op de economie?
Als we rijke landen met elkaar vergelijken zien we inderdaad dat groei van de publieke sector vaak samengaat met een wat lagere economische groei. Deels komt dit doordat een grotere publieke sector de productiviteitsstijging drukt. En deels doordat, als de markteconomie snel groeit, de publieke sector dit vaak niet kan bijbenen.
Maar laten we niet vergeten dat ook het bedrijfsleven veel baat heeft bij een grotere publieke sector: betere infrastructuur (inclusief het energienetwerk), beter onderwijs, kortere wachtlijsten in de zorg. Het aloude argument van Galbraith gaat nog steeds op.
Soms wordt ook tegengeworpen dat groei van de publieke sector niet mogelijk is in de gemeenschappelijke Europese markt. De Europese Monetaire Unie legt echter geen beperkingen op aan de omvang van de publieke sector – alleen aan de hoogte van het begrotingstekort en de staatsschuld. De enige beperking is dat groei van de publieke sector wordt gefinancierd met een evenredige groei van de belastinginkomsten.
Eigenlijk is de discussie over de effecten van een grotere publieke sector op de economische groei niet zo relevant. Het gaat immers niet om economische groei, maar om de kwaliteit van het bestaan. Als we rijke landen met elkaar vergelijken blijkt er geen verband te bestaan tussen de hoogte van het bbp per hoofd van de bevolking en een reeks indicatoren voor de kwaliteit van het bestaan, zoals geluk, levensverwachting, opleidingsniveau van de bevolking en criminaliteit. Terecht wordt daarom de laatste jaren breed onderschreven dat het niet in de eerste plaats om het bbp, maar om ‘brede welvaart’ dient te gaan – feitelijk niets anders dan de kwaliteit van het bestaan. In de praktijk van het overheidsbeleid worden daar echter nog weinig consequenties aan verbonden.
Wat PRO te doen staat
Al meer dan zestig jaar voeren we dezelfde discussie over de publieke sector. Het is wat ontmoedigend dat we telkens dezelfde achterhaalde ‘conventional wisdom’ over hogere publieke uitgaven moeten weerleggen. Gezien mijn interview met Martin Visser blijft dit echter hard nodig. Veel progressieve politici lijken die strijd echter te hebben opgegeven en zijn meegegaan in het ‘mainstream’ denken over de verhouding tussen markt en publieke sector.
Zelfs in zijn Progressief Pleidooi pleit Jesse Klaver ervoor dat ‘gewone mensen minder belasting hoeven te betalen’, maar volstaat hij bij de publieke sector met ‘goede voorzieningen in de buurt en zorg die toegankelijk blijft’. Daar mag wel een schepje bovenop, zou ik zeggen.
Ik eindig dan ook met een oproep aan PRO om uit Om de kwaliteit van het bestaan inspiratie te putten en volmondig uit te spreken dat voor veruit de meeste mensen de kwaliteit van hun bestaan méér gediend is met een uitbreiding en verbetering van de publieke dienstverlening dan met lagere belastingen en een paar procent extra koopkracht.
Literatuur
- Baumol, William. J. (1967). Macroeconomics of unbalanced growth: the anatomy of urban crisis. The American Economic Review 57(3), 415-426.
- Galbraith, John Kenneth (1958). The Affluent Society. Houghton Mifflin Harcourt.
- Klaver, Jesse (2026). Progressies pleidooi, Progressief Nederland 2026.
- Chancel, L., Dietrich, J., Mohren, C., Moshrif, R.,Odersky, M., Piketty, T., Somanchi, A., et al. (2026). The Global Justice Report: A Plan for Equality & Prosperity Within Planetary Boundaries. World Inequality Lab (gjp.wid.world).
- Wiardi Beckman Stichting (1963). Om de kwaliteit van het bestaan, WBS.
Noten
[i] In Om de kwaliteit van het bestaan wordt hierop gevarieerd door te spreken over ‘verspillingen in de luxe-sfeer [die] schril afsteken tegen armetierigheid van vele gemeenschappelijke voorzieningen’ (p.17).
[ii] Tussen 1995 en 2025 groeide het productievolume van zorg en welzijn in totaal met 94%, van de overheid met 53% en van het onderwijs met 11%.