De Europese Unie kampt met meerdere, nauw aan elkaar verbonden uitdagingen. Te midden van de klimaatcrisis en een imperialistische oorlog aan haar directe buitengrenzen, intensiveren geopolitieke spanningen met de dag. De door president Trump aangekondigde tariefmuren doen een wereldwijde recessie vrezen, en zijn dreigementen om de NAVO-steun te verminderen leggen de fragiele en asymmetrische machtsverhoudingen binnen het Atlantische veiligheidssysteem pijnlijk bloot. Tegelijkertijd neemt de concurrentiedruk uit opkomende economieën toe. Vooral Chinese fabrikanten lopen steeds meer voorop in sleutelindustrieën zoals telecommunicatie, elektronica, elektrische voertuigen, machinebouw en zonnepanelen, terwijl de economieën van de EU-landen nooit goed hersteld zijn van de schokken van de financiële crisis van 2008 en de covid-pandemie.
In een poging de wereldwijde concurrentiekracht van de gemeenschappelijke markt te versterken, heeft de Europese Commissie een reeks industriepolitieke initiatieven gelanceerd, die tegelijkertijd de klimaatdoelstellingen voor netto-nul emissies in 2050 zouden moeten realiseren.[1] Zoals dit artikel zal laten zien, schuilt achter de schijnbaar politiek aantrekkelijke façade van een groen EU-industriebeleid echter een web van fundamentele tegenstrijdigheden.
Dit komt niet in de laatste plaats door de hybride publiek-private financieringsstructuren van dit industriebeleid. De Europese Unie besteedt op deze manier de verantwoordelijkheid en het tempo van de groene transitie uit aan private partijen die primair winstmaximalisatie nastreven. Deze manier van werken holt zowel de democratische sturing over investeringsprioriteiten uit als ook het toezicht op uitgaven van publieke middelen voor klimaatbeleid.
Naast democratische besluitvorming over de vraag of een EU-industriebeleid überhaupt wenselijk is, en vervolgens in welke vorm, is er een fundamentele transformatie van de sociale productieverhoudingen nodig, en een verregaande democratisering van de gehele inrichting van de economie. Deze transformatie moet, zo zal ik betogen, bovendien gepaard gaan met een dekolonialisering van klimaatrechtvaardigheid waarbij ook de historische ongelijkheden tussen het noordelijk en zuidelijk halfrond worden aangepakt.
Kapitalistische concurrentie en geopolitieke verschuivingen
Het recente EU-industriebeleid is een politiek antwoord op geopolitieke verschuivingen binnen het mondiale kapitalisme die de economisch dominante positie en invloed van het Westen fundamenteel uitdagen. Opkomende economieën zoals China en India hebben hun aandeel in het mondiale bruto binnenlands product tussen 1990 en 2010 ruim verdubbeld, en lanceerden na de wereldwijde financiële crisis van 2008 ambitieuze industriële programma’s zoals ‘Made in China 2025’ en ‘Make in India’ met als doel om geavanceerde technologieën en hoogwaardige industriële sectoren te stimuleren.[2]
Ook de Europese Commissie kondigde in 2014 een 'Europese Industriële Renaissance' aan, en beloofde het aandeel van industriële productie in het bbp van de Europese Unie tegen 2020 te verhogen met 20%.[3] Ook al is dit doel niet bereikt, de Europese Unie heeft inmiddels een hele reeks aan communicaties, plannen, ‘acts’ en ‘deals’, evenals concrete initiatieven aangenomen.
Met de Europese Green Deal in 2019 als overkoepelende groeistrategie werden deze industriepolitieke initiatieven ingebed in een techno-optimistisch narratief dat een digitale en groene 'tweelingtransitie' propageerde. De digitalisering van productieprocessen en de samenleving werd daarbij geponeerd als een noodzakelijke katalysator voor de vergroening van het kapitalisme. Zelfs defensie-gerelateerde industriële projecten werden ingekaderd in een groene retoriek en gelegitimeerd onder het mom van het bevorderen van 'energie-veerkracht en de vermindering van de milieu- en koolstofvoetafdruk van defensie’.[4]
Commissievoorzitter Von der Leyen verduidelijkte tegelijkertijd de prioriteiten van de Europese Unie door te benadrukken dat het winnen van de mondiale concurrentiestrijd om het leiderschap in groene technologieketens voorrang heeft boven de decarbonisering van het kapitalisme.[5] Dit wordt ook bevestigd door het Green Deal Industrieel Plan van 2023 dat beoogt ‘Europa's netto-nul industrie in de voorhoede te plaatsen’, en de Clean Industrial Deal van 2025, die expliciet inzet op het verbeteren van de mondiale concurrentiekracht en 'het veiligstellen van de toekomst van productie in Europa'.[6]
Net als 'Build and Buy America', 'Powering Up Britain' en 'Made in Canada' moet het EU-industriebeleid een verplaatsing van productiecapaciteit naar Europa faciliteren en afhankelijkheden van mondiale toeleveringsketens reduceren. Deze geopolitieke heroriëntatie wordt ook weerspiegeld in centrale EU-beleidsconcepten zoals 'open strategische autonomie' en 'technologische soevereiniteit’, en een arsenaal van flankerende protectionistische instrumenten zoals controle op uitgaande investeringen, verscherpte buitenlandse directe investeringsscreening en exportcontroles.
De financiële architectuur van het EU-industriebeleid
De Europese Commissie heeft berekend dat het huidige investeringsniveau met minimaal 25%, oftewel € 5 biljoen per jaar tot 2030, zou moeten worden verhoogd om de productiecapaciteit voor netto-nul technologieën op te schalen en het concurrentievermogen te behouden.[7] De financiering van het EU-industriebeleid vormt een fundamentele uitdaging, niet alleen omdat het jaarlijkse EU-budget qua omvang vergelijkbaar is met dat van Denemarken, maar ook omdat de Europese Unie niet over dezelfde fiscale slagkracht beschikt als haar handelspartners.
Bovendien zijn begrotingstekorten en schuldfinanciering door de EU-verdragen verboden, kan de Europese Unie haar inkomstenbasis niet via belastingen verhogen en kan zij geen fiscale stimuli bieden aan specifieke industriële sectoren. Ook de nationale investeringscapaciteit in strategische industrieën blijft beperkt, doordat de eurozone-lidstaten na covid geconfronteerd worden met de herintroductie van een orthodoxe begrotingsdiscipline onder het herziene Stabiliteits- en Groeipact.
Ondanks de afwezigheid van een fiscaal beleid op EU-niveau heeft de Europese Commissie diverse financieringsinstrumenten ontwikkeld. Naast de heroriëntatie van reeds bestaande structuurfondsen voor het EU-industriebeleid versoepelde de Europese Commissie de mogelijkheden voor staatssteun op nationaal niveau aanzienlijk. Door gebruik te maken van verdragsbepalingen voor Belangrijke Projecten van Gemeenschappelijk Europees Belang (IPCEIs), omzeilt de Commissie de traditionele staatssteunbeperkingen en maakt zij onbeperkte subsidies mogelijk voor strategische sectoren zoals batterijen, micro-elektronica, waterstof, cloud- en edge-computing, en de gezondheidsindustrie.[8]
Daarnaast maakt de Europese Unie in toenemende mate gebruik van de collectieve triple-A kredietwaardigheid van de EU-27 om financiering via kapitaalmarkten te verkrijgen, en wordt het EU-budget, samen met de collectief opgenomen schuld, steeds vaker ingezet als garantie voor private investeerders.
Het garantiemechanisme InvestEU
InvestEU is een EU-breed financieringsinstrument dat operationeel werd voor de begrotingsperiode 2021-2027. Zoals de naam doet vermoeden, investeert de Europese Unie zelf niet. Het programma heet immers niet EUInvest. Het instrument is ontworpen om middels een risico-delingsmechanisme via een EU-begrotingsgarantie van € 26,2 mrd een hefboomeffect te genereren, met als doel om minimaal € 372 mrd aan publieke en private investeringen aan te trekken.[9]
InvestEU heeft een gelaagde financieringsstructuur. Bedrijven dienen hun projectvoorstellen in bij geaccrediteerde financiële instellingen, die vervolgens risicogaranties kunnen aanvragen bij de uitvoerende instanties van InvestEU. De Europese Investeringsbank Groep fungeert als primaire uitvoerder door 75% van de garanties aan financiële intermediairs te verstrekken, die op hun beurt kredieten en equity of quasi-equity financiering aan de eindontvangers aanbieden - waarbij quasi-equity een hybride vorm is van zowel schuld als eigen vermogen.
De Europese Commissie is verantwoordelijk voor de resterende 25% en wijst deze toe aan private en publieke financiële tussenpartijen, variërend van internationale en nationale ontwikkelingsbanken tot staatsvermogensfondsen, commerciële banken en verschillende soorten risicokapitaalverschaffers, zoals private equity fondsen, angel-investeerders of durfkapitalisten. De doelgroep van eindontvangers bestaat voornamelijk uit technologiebedrijven, startups maar ook gevestigde industriële ondernemingen in strategische sectoren zoals batterijenproductie, hernieuwbare energie, digitale technologieën en in toenemende mate defensie of defensie-gerelateerde industrieën.
Via het InvestEU-garantiestelsel hoopt de Commissie enerzijds de budgettaire uitgaven te minimaliseren en tegelijkertijd het hefboomeffect te maximaliseren. In tegenstelling tot traditionele eenmalige en dus niet-terugvorderbare subsidies zou elke euro aan publiek gegarandeerd geld een veelvoud aan private investeringen moeten ontsluiten, en hiermee de reikwijdte van de beperkte publieke gelden substantieel overstijgen. De EU-begrotingsreserve is beoogd als een revolverend garantiefonds. De Commissie gaat ervan uit dat het gros van de gegarandeerde investeringen succesvol zal zijn, waardoor dezelfde budgettaire middelen herhaaldelijk kunnen worden ingezet om ook in de toekomst de risico’s van financiële tussenpartijen af te dekken.
Risicosocialisatie en financiële instellingen als poortwachters
InvestEU faciliteert een asymmetrische risicostructuur. Publieke garanties kunnen oplopen tot 80% of zelfs nog hoger. Bij faillissementen of het uitblijven van winstgevendheid worden de investeringsverliezen van financiële intermediairs via het EU-budget gesocialiseerd, dat wil zeggen dat de verliezen worden afgewenteld op het publiek en daarmee de burgers, terwijl de winsten privé blijven. Tegelijkertijd fungeren deze intermediairs als poortwachters over publiek gegarandeerd kapitaal. Binnen vastgelegde parameters en onder toezicht van het InvestEU Investeringscomité van experts selecteren zij welke bedrijven en projecten financiering ontvangen en bepalen zij ook voor een deel de voorwaarden, terwijl ze slechts een fractie van het financiële risico dragen.
InvestEU wordt in EU-communicaties doorgaans in verschillende tinten groen gekleurd om zo een ‘groen’ mandaat te suggereren, maar deze profilering is misleidend: slechts 30% van de investeringen moet op de groene transitie gericht zijn. Met andere woorden, 70% kan dus worden ingezet voor niet-groene doeleinden.
Bovendien ontbreekt er een expliciete koppeling met concreet EU-industriebeleid, waardoor het garantiemechanisme gebruikt kan worden voor diverse activiteiten die desnoods achteraf onder het label 'strategisch belang' kunnen worden geschaard.[10] Deze open en flexibele architectuur van InvestEU wordt door vertegenwoordigers van financieel en industrieel kapitaal omarmd, want de EU neemt het risico over om private kapitaalaccumulatie te faciliteren, terwijl de financiële instellingen de controle over de investeringsbeslissingen behouden.
Het is dan ook niet verwonderlijk dat het ontwerp en de implementatie van het programma sterk zijn gevormd door georganiseerde belangen uit de financiële sector, zoals door InvestEurope, wereldwijd de grootste vereniging van private kapitaalverschaffers waaronder private equity, durfkapitaal en infrastructuurinvesteringsfondsen, het European Business Angel Network, en individuele investeringsfondsen zoals Meridiam en Amundi.[11]De institutionalisering van financiële belangen is geen bijproduct maar beleid: de Commissie richtte vanaf 2013 'een gestructureerde dialoog met de financiële industrie' in om 'particuliere investeringen aantrekkelijker te maken'.[12]
Ook al is het groene karakter grotendeels symbolisch, met InvestEU delegeert de EU in feite het tempo en de richting van de groene transitie aan de investeringsbereidheid van private investeerders, inclusief investeerders die gedreven worden door kortetermijnwinstmaximalisatie in plaats van langetermijnklimaatprioriteiten. Via dit poortwachtersmechanisme wordt private macht over publieke middelen geïnstitutionaliseerd.
Buitenbegrotelijke financiering als hefboomstrategie
De EU-verdragen verbieden een directe begrotingsfinanciering via schulden, maar de lidstaten kunnen wel gezamenlijke schulden aangaan via collectieve obligatie-emissies op kapitaalmarkten, gebruikmakend van de AAA-kredietrating van de EU-27, mits deze worden goedgekeurd door de Raad.[13] De grootste collectieve leenoperatie in de geschiedenis van de Europese Unie was tot nu toe het tijdelijke covid-19 herstelprogramma NextGenerationEU (NGEU) dat voor 90% werd gefinancierd via het Herstel- en Veerkrachtfonds (RRF). Hiervoor heeft de Europese Commissie namens de EU-27 € 807 mrd geleend door groene obligaties uit te geven.[14]
NGEU presenteert zich als een groen industrieel investeringsprogramma ten behoeve van toekomstige generaties, maar ook deze beleidskeuze maskeert een fundamentele contradictie. De afbetaling bevat een intergenerationele schuldoverdracht waarbij toekomstige generaties over drie decennia, van 2028 tot 2058, jaarlijks € 30 mrd moeten gaan aflossen.[15]
Deze contradictie wordt nog verder verscherpt doordat ongebruikte NGEU-middelen kunnen worden overgeheveld naar nationale InvestEU compartimenten. Dit heeft als perverse uitkomst dat 40% van de InvestEU-garanties schuld-gebaseerd is.[16] Met andere woorden, publieke schuld fungeert als een risicobuffer en dus als publiek vangnet om particuliere kredietverlening aan industrieën te stimuleren.
Risicodelingsmechanismen zoals InvestEU en off-budget schuldfinanciering zijn bedoeld als een tijdelijke overbrugging totdat een veel ambitieuzer project de marktwerking overneemt: de Kapitaalmarktenunie, die inmiddels is omgedoopt tot Spaar- en Investeringsunie. De Europese Commissie anticipeert op het Amerikaanse model waarbij spaargelden van burgers uit de Europese Unie, bedrijven, pensioenfondsen en verzekeraars via asset managers worden gebundeld op een geharmoniseerde Europese kapitaalmarkt en vervolgens worden gekanaliseerd naar investeringen in industriële productie.[17] In tegenstelling tot de publieke garanties die nu via InvestEU aan het financieel kapitaal worden geboden, zullen de gewone spaarders de investeringsrisico’s dan volledig zelf moeten gaan dragen, zonder publieke vangnetten.
Kapitaalmobilisatie ten koste van democratische toezicht
Een rapport van het Europees Parlement uit 2017 concludeert dat de complexe en ondoorzichtige architectuur van fondsen en instrumenten rondom de begroting van de Europese Unie een structureel obstakel voor een effectief democratisch toezicht op de Europese Commissie zijn.[18]Volgens de Europese Rekenkamer is de complexiteit zodanig toegenomen dat zelfs de Europese Commissie de controle over haar eigen instrumenten is kwijtgeraakt, en zij externe consultants moest inhuren om de hybride publiek-private financieringsmechanismen te overzien.[19]
Hoewel het Europees Parlement samen met de Raad de jaarlijkse EU-begroting vaststelt, beschikt het slechts over het recht van goedkeuring of verwerping, zonder bevoegdheid om concrete programma-uitgaven of fondsen te wijzigen. Daarnaast worden risicobeperkende instrumenten die zijn gebaseerd op de EU-begroting via verordeningen van de Raad aangenomen, zonder het Europees Parlement in het wetgevingsproces te betrekken of zelfs te raadplegen.[20]
Bovendien blijven de budgettaire bevoegdheden van het Europees Parlement beperkt tot de reguliere EU-begroting, terwijl alle instrumenten die niet in de begroting worden opgenomen, zonder enige democratische controle opereren. Deze democratische lacune wordt versterkt doordat de Europese Rekenkamer, parallel aan de parlementaire beperkingen, evenmin bevoegd is om buitenbegrotelijke instrumenten of de door Europese Investeringsbank Groep-beheerde middelen te auditeren.[21] Dit is met name problematisch omdat de dekkingspercentages voor kredietrisico's en compensatiemechanismen voor ondermaatse rendementen op eigen vermogen noch gestandaardiseerd noch transparant zijn, maar voortvloeien uit besloten onderhandelingen tussen implementerende partners en het 'onafhankelijke' InvestEU Investeringscomité - waarbij 'onafhankelijk' als eufemisme voor ‘democratisch oncontroleerbaar’ moet worden gelezen.
Het formele recht op controle van het Europees Parlement wordt ook uitgehold doordat individuele Europarlementariërs proactief toegang tot garantiecontracten moeten aanvragen, maar vervolgens alleen toegang krijgen tot gecensureerde versies in verband met commerciële vertrouwelijkheid. Ook al worden er hiermee formeel geen wetten overtreden, het resultaat is een systematische ondermijning van democratische verantwoording: substantiële financieringsstromen opereren buiten het toezicht van de EU-organen met democratische controlefuncties.
InvestEU berust op de impliciete premisse dat de gegarandeerde investeringen niet zullen falen en dat de garantieverplichtingen niet zullen worden geactiveerd, waardoor dezelfde reserveringen in de EU-begroting herhaaldelijk als hefboom voor private investeringen kunnen worden ingezet. Nu is er een Gemeenschappelijk Voorzieningsfonds als buffer voor voorwaardelijke verplichtingen ingericht, maar het fonds dekt slechts 40% van de InvestEU-gegarandeerde bedragen. Het blijft onduidelijk of en hoe het Europees Parlement zou worden geraadpleegd wanneer de verliezen van de financiële intermediairs uiteindelijk de EU-begroting belasten.[22]
Pleidooi voor radicale democratisering
Groene transitie-initiatieven staan prominent op de agenda van de EU, maar het streven naar mondiale technologische suprematie en concurrentiekracht prevaleert boven de decarbonisering van industrieën. En dit terwijl een reductie van fossiele brandstoffen en grondstoffengebruik noodzakelijk zijn voor ecologische duurzaamheid. Zoals dit artikel heeft aangetoond, laat de Europese Unie het tempo en de richting van de groene transitie over aan de investeringsbereidheid van financieel kapitaal, ten koste van democratisch gelegitimeerde instellingen.
Onder een zogenoemd groen EU-industriebeleid gaan complexe publiek-private financieringsconstructies schuil die strategische klimaatbeslissingen de facto delegeren aan winstgedreven financiële actoren. Tegelijkertijd blijft de Europese Unie passief waar werkelijke transformatie vereist is: de substantiële publieke en private kapitaalstromen naar energie-intensieve en ecologisch-destructieve sectoren blijven onaangetast. Bovendien zijn EU-garanties en off-budget mechanismen primair gericht op schuldverstrekking, wat de noodzaak tot economische groei en concurrentievoordeel nog verder versterkt.
Dit uitstelgedrag van fundamentele keuzes legt niet alleen in financiële termen een hypotheek op de toekomst van komende generaties, maar ook in ecologische zin door kapitalistische groei boven planetaire grenzen te stellen. De zogenaamd groene transitie wordt verder gemarginaliseerd door de militarisering van het EU-investeringsbeleid, waarbij geopolitieke spanningen als legitimatie dienen om publieke middelen naar het militair-industrieel complex om te leiden.
Na vier decennia van neoliberaal EU-beleid zijn steeds meer economische beslissingen aan de democratische ruimte onttrokken. Dat moet gekeerd worden. Maar voor een fundamentele ecologische transformatie is een democratisering waar louter de zeggenschap en het toezicht van het Europees Parlement en daarmee de representatieve democratie wordt uitgebreid niet toereikend. De klimaatcrisis is inherent aan de kapitalistische productiewijze gekoppeld en het Europees Parlement opereert binnen institutionele kaders die gebonden zijn aan verdragsbepalingen die kapitaalaccumulatie, vrije concurrentie en economische groei vooropstellen. Daarnaast vertegenwoordigt het Europees Parlement slechts één schakel in een meerledige governance-structuur. Voor een ecologische transitie is op lokaal, nationaal en transnationaal niveau een radicale democratisering nodig die gaat over ‘wie’, ‘wat’, ‘hoe’, ‘wanneer’ en ‘voor wie’ produceert, en wie de vruchten van de arbeid en daarmee ook de investeringen mag plukken.
Dit houdt ook in dat de ecologische schuld van het Westen vis-a-vis de landen op het zuidelijk halfrond erkend moet worden, een conditio sine qua non voor dekoloniale rechtvaardigheid. Te denken valt aan participatieve planningsprocessen gericht op ecologische en sociale behoeften in plaats van winstmaximalisatie, waarbij werknemers en burgers zowel in de Europese Unie als in landen op het zuidelijk halfrond direct betrokken worden bij de sturing van investeringsbeslissingen. Dit kan bijvoorbeeld in de vorm van transnationale werknemersraden of burgerpanels die democratisch vastgestelde prioriteiten voor ecologische duurzaamheid, sociale rechtvaardigheid en klimaatrechtvaardigheid vastleggen.
In een tijdperk van opkomend autoritarisme lijkt dit misschien utopisch, maar we hebben niet de luxe om weg te zakken in een collectieve apathie. De klimaatcrisis dwingt ons om tot een alternatieve en daarmee een niet-kapitalistische inrichting van de economie te komen. Immers, zonder de hypothese dat een andere wereld mogelijk is, kan er geen betekenisvolle politiek bestaan. En zoals de klimaatbeweging al jaren roept: systeemverandering is de voorwaarde voor het stoppen van de klimaatverandering.
Noten
[1] Europese Commissie (2023). A Green Deal Industrial Plan for the Net-Zero Age, COM/2023/62 final.
[2] Lavery, S. (2024). Rebuilding the fortress? Europe in a changing world economy. Review of International Political Economy 31(1): 330-353.
[3] Europese Commissie (2014). For a European industrial renaissance. COM/2014/014 final.
[4] Europese Commissie (2025). Defence Industry and Space. Supporting the European Green Deal.
[5] Europese Commissie (2023). Long-term competitiveness of the EU: Looking beyond 2030. COM(2023)168 final.
[6] Europese Commissie (2025). The Clean Industrial Deal: A joint roadmap for competitiveness and decarbonisation. Communication COM(2025)85 final.
[7] Europese Commissie (2024). InvestEU interim evaluation. Commission staff working document, SWD(2024)229 final: 44.
[8] Lopes-Valença, H. (2024). EU Industrial Policy and Convergent Development in EU Peripheries: An Assessment of the 'Important Project of Common European Interest' (IPCEI) Template. Journal of Common Market Studies 63(3): 880-896.
[9] Europese Commissie (2024). InvestEU interim evaluation. Commission staff working document, SWD(2024)229 final.
[10] Europese Commissie 2024 (2024). InvestEU interim evaluation. Commission staff working document, SWD(2024)229 final: 14.
[11] Wigger, A. (2024). The New EU Industrial Policy: Opening Up New Frontiers for Financial Capital. Politics and Governance 12 (article 8192).
[12] Europese Commissie (2022). Report on the evolution of financing practices for energy efficiency in buildings, SMEs and in industry.
[13] Europees Parlement (2022). The next revision of the financial regulation and the EU budget galaxy. How to safeguard and strengthen budgetary principles and parliamentary oversight.
[14] Europese Commissie (2023). A Green Deal Industrial Plan for the Net-Zero Age, COM/2023/62 final.
[15] Draghi, M. (2024). The future of European competitiveness. Part B. In-depth analysis and recommendations. Brussel: 289.
[16] Europese Commissie (2024). InvestEU interim evaluation. Commission staff working document, SWD(2024)229 final: 13.
[17] Europese Commissie (2025). A Competitiveness Compass for the EU. Communication COM(2025)30 final.
[18] Europees Parlement (2017). Financial Instruments: Defining the rationale for triggering their use.
[19] Europese Rekenkamer (2023). The EU's financial landscape. A patchwork construction requiring further simplification and accountability: 4.
[20] Europese Rekenkamer (2023). The EU's financial landscape. A patchwork construction requiring further simplification and accountability: 32.
[21] Europees Parlement (2022). The next revision of the financial regulation and the EU budget galaxy. How to safeguard and strengthen budgetary principles and parliamentary oversight: 12; Europese Rekenkamer (2023). The EU's financial landscape. A patchwork construction requiring further simplification and accountability: 4, 33.
[22] Europees Parlement (2022). The next revision of the financial regulation and the EU budget galaxy. How to safeguard and strengthen budgetary principles and parliamentary oversight: 10, 11; Europese Rekenkamer (2023). The EU's financial landscape. A patchwork construction requiring further simplification and accountability: 4.