Overslaan en naar de inhoud gaan
verwerkt
Aan

Bij de gemeenteraadsverkiezingen in maart werd GroenLinks-PvdA de grootste partij. Samen haalden de twee partijen 15 procent van de stemmen en meer dan duizend raadszetels. In heel wat plaatsen, van Vlissingen in het zuidwesten tot Het Hogeland in het noordoosten, werd de partij het grootste waar ze dat eerder niet was: het aantal gemeenten waar GroenLinks-PvdA de grootste werd, nam met meer dan 50 procent toe. Een groot succes voor de combinatielijsten?

Leestijd:
3 minuten
Afbeelding
Simon Otjes

Als die grotere fracties aan de onderhandelingstafel komen, zouden ze er goed voor moeten staan. Ecker en Gross (2026) analyseren de verdeling van wethoudersposten in Duitse gemeenten. Deze is evenredig met het zeteltal van de raadsfracties. Dus dat is mooi, want hoe groter de GroenLinks-PvdA-fracties zijn, des te meer wethouders ze krijgen. De relatie noemen we de wet van Gamson, vernoemd naar William Gamson, die deze relatie in 1961 voor het eerst observeerde. De relatie is zeer sterk, zowel op landelijk als op lokaal niveau.

Maar het probleem is dat wethoudersposten niet opdeelbaar zijn en dat er een wettelijke limiet is aan het aantal wethoudersposten. Daardoor ontstaan er allerlei inefficiënties. Neem een hypothetische situatie: GroenLinks-PvdA (10 zetels) onderhandelt met D66 (8 zetels) en de PvdD (1 zetel), over zeven wethoudersposten. Bij een evenredige verdeling zou de PvdD recht hebben op 0,4 wethouder, D66 op 2,9 wethouders en GL-PvdA op 3,7. Dan zijn er eigenlijk twee mogelijkheden waarbij alle partijen ten minste één wethouder krijgen: of 4-2-1, waarbij GL-PvdA ondanks dat ze maar een kwart groter was dan D66 twee keer zo veel wethouders krijgt; of 3-3-1, waarbij de grootste partij inlevert.

Al sinds het werk van Browne en Franklin (1973) weten we dat de grootste partij inlevert om de kleinere partijen die eigenlijk geen bestuurders zouden krijgen een wethouder te geven.

De grootste zijn op lokaal niveau is niet altijd gunstig

Stel dat GroenLinks en PvdA apart waren opgetrokken en de uitslag was 8 D66, 5 GL, 5 PvdA en 1 PvdD geweest. Dan was vanuit dit perspectief de meest logische wethoudersverdeling 2 (D66) - 2 (GL) - 2 (PvdA) - 1 (PvdD) geweest. (3-2-1-1 was heel raar geweest: dan zouden twee partijen met evenveel zetels, GL en PvdA, een ongelijk aantal wethouders krijgen.) Daarmee zouden GroenLinks en de PvdA apart dus meer wethouders krijgen dan samen. De grootste zijn op lokaal niveau is dus niet altijd gunstig.

Meer is beter, is een veel gehoorde mythe onder linkse strategen. Je zou het, indachtig het boek van Jesse Klaver uit 2015, de mythe van het zetelonisme kunnen noemen.

Oorspronkelijk gepubliceerd door

    De mythe van het zetelonisme|Word vriend