De weg naar vrijheid[i] werd geschreven anno 1951, als herbezinning op de sociaal-democratie na de Tweede Wereldoorlog en bovendien als reactie op Friedrich Hayeks The road to serfdom[ii] uit 1944 – vrij vertaald de weg naar slavernij. Hierin stelde Hayek dat marktwerking en concurrentie zouden leiden tot vrijheid en dat overheidsinterventie - lees het socialisme - zou leiden tot onderdrukking.
In De weg naar vrijheid formuleerde een brede ‘plancommissie’, met Joop den Uyl, Hein Vos en Willem Banning als belangrijke penvoerders, een antwoord op Hayek. Zij stellen dat in de oorsprong, het socialisme beoogt een ‘gemeenschap van vrije mensen’ mogelijk te maken, maar hun conceptie van vrijheid is anders. Vrijheid krijgt volgens hen pas inhoud wanneer mensen er in de praktijk invulling aan kunnen geven, door gelijke kansen. Zij beogen een gelijke vrijheid.
Om een gemeenschap van vrije mensen te realiseren moest de kansenongelijkheid dus worden tegengegaan. Hierom was overheidsinterventie niet vrijheidsbeperkend, maar juist randvoorwaardelijk voor vrijheid. Hierover zegt De weg naar vrijheid: ‘De ervaring leert ons, dat als de overheid geen regels stelt, niet een toestand van volledige vrijheid ontstaat, maar integendeel een toestand waarin enkele individuen en kleine groepen zich bijzondere voorrechten verwerven, die in feite een dictatuur van bepaalde belangengroepen betekent.’ Juist de vrije markt was de weg naar onvrijheid.
Hayeks vrijheid, de definitie die vandaag de dag ook leidend is, is de ‘vrijheid van bemoeienis’ – de mogelijkheid om alles te kunnen doen wat je kunt betalen. Oftewel, een vrije consument boven vrije burgers. De weg naar vrijheid wees deze nauwe definitie ferm af: ‘Wij verwerpen nadrukkelijk het denkbeeld, dat het [de mens] vrij zou staan zichzelf in ongebondenheid uit te leven desnoods ten koste van zijn medemensen. Wij staan dus verre van anarchistische en individualistische gedachtesystemen, welke uit het oog verliezen, dat het ware mens-zijn steeds verantwoordelijk-zijn in zich sluit.’
Vrijheid is hiërarchisch, gepland, collectief en niet vrijblijvend
Hieruit haal ik vier lessen. 1) Er bestaat een hiërarchie tussen verschillende vrijheden: de vrijheid tot autonomie van de één is meer waard dan de vrijheid tot uitbuiting van de ander. 2) Om een gelijke vrijheid te realiseren moeten we bepaalde vrijheden inperken, anders geldt het recht van de sterkste. 3) De progressieve strijd voor vrijheid is een collectieve strijd voor gelijkere machtsverhoudingen, geen individuele strijd voor sociale mobiliteit binnen die bestaande machtskaders. 4) Vrijheid is niet vrijblijvend, maar draagt een verantwoordelijkheid naar de medemens en gemeenschap in zich.
Dit begrip is ook anno 2026 van groot belang. Als eerste wat betreft de hiërarchie der vrijheden, moeten we ons collectief realiseren dat de vrijheid om een goedkoop T-shirt te kopen niet gelijk is aan de vrijheid tot veilig en eerlijk betaald werk. En dat de vrijheid een gehaktbal te eten niet gelijk is aan het recht op een gezonde leefomgeving. Dit geldt wat mij betreft veel breder: ook de vrijheid van een dier om niet uitgebuit te worden in de bio-industrie acht ik belangrijker dan de vrijheid goedkoop vlees te produceren.
Ten tweede, regels zijn noodzakelijk omdat de vrijheid van de één onvermijdelijk de vrijheid van een ander beperkt – overigens net zoals de grenzen van de planeet dit doen. We moeten vrijheden tot onderdrukking en uitbuiting inperken, om vrijheden tot autonomie en zelfbeschikking mogelijk te maken. Het tegenovergestelde dreigt nu soms te gebeuren. Denk hierbij bijvoorbeeld aan de dereguleringsagenda in Europa en Nederland, die onze sociale zekerheid bedreigt.[iii]Hier spreken voorstanders wel over een ondernemersvrijheid van overheidsbemoeienis, maar niet over het recht van de werknemer op veilig en eerlijk betaald werk.
Ten derde wat betreft de collectiviteit: het is van groot belang te erkennen dat het niet om het individu gaat, maar om de systemen van productie en uitbuiting. Het gaat niet om de koper van het T-shirt, maar om de multinationals die rijk worden over de rug van goedkope arbeid. Een progressieve vrijheid bevraagt niet de individuele burger, maar de machtsconcentratie.
En ten vierde, een notie van gelijke vrijheid behelst ook de verantwoordelijkheid de vrijheid van een ander niet fundamenteel te beperken. Neem als voorbeeld de klimaatcrisis. Hoewel een beter milieu juist niet bij jezelf begint – want dat zou de machtsverhoudingen negeren – zijn we als individu nu wel heel gevrijwaard van elke vorm van verantwoordelijkheid. Bij grotere vormen van individuele vrijheid, doordat een individu meer macht, vermogen of kennis heeft, hoort ook een grotere verantwoordelijkheid naar je medemens.
Plannen voor meer gelijkheid
Deze definitie van vrijheid vormde de basis voor de rest van De weg naar vrijheid. Daarin is een felle kritiek op elk sociaaleconomisch systeem te vinden dat ongelijke kansen produceert en waarin de macht niet democratisch verdeeld is. De weg naar vrijheid komt dan ook met fundamentele herzieningen, zoals gelijkere bezitsverhoudingen, meer politieke verantwoordingsplicht, democratisering van de productie en een bredere toegang tot onderwijs en cultuur.
Dat deze ideeën herkenbaar en actueel zijn, geeft zowel aan dat het goede ideeën waren, als dat ze helaas nog niet voldoende gerealiseerd zijn. Er zijn sinds 1951 uiteraard belangrijke vrijheden succesvol bevochten – de opbouw van de verzorgingsstaat en de emancipatiebewegingen voorop. We moeten echter ook erkennen dat het de sociaal-democratie vooral sinds de jaren tachtig onvoldoende gelukt is het kapitalisme en de globalisering bij te sturen om de fundamentele oorzaken van ongelijkheid weg te nemen.
2026
Dat brengt ons naar vandaag. Anno 2026 zorgt de vrije markt voor grote schade aan de vrijheid, onze democratie, de planeet en het Mondiale Zuiden. Een kleine internationale financiële elite verkrijgt steeds meer vermogen en macht, en we missen de cruciale instrumenten om dit kapitaal te kunnen belasten. Onbedoeld raakten we verdwaald op de neoliberale ‘road to serfdom’.
De weg naar vrijheid laat ons zien dat de definitie van vrijheid die we hanteren, ertoe doet. Het laat ook zien: een progressieve strijd voor vrijheid voer je niet in het defensief. Het kan alleen met offensieve plannen voor méér vrijheid voor méér mensen.
De sociale beweging op gang brengen om de ongelijkheid te bestrijden, begint bij een goed begrip van vrijheid. Waarbij we begrijpen dat we vrijheid alleen samen kunnen realiseren. En dat echte vrijheid ook verantwoordelijkheid met zich meebrengt. Ik sluit graag af met de woorden waarmee Den Uyl zijn redevoering ook afsloot: ‘Ik heb iemand horen zeggen, dat in dit nieuwe Plan tot vervelens toe over vrijheid wordt gesproken. Het moge zijn. Ik heb een excuus. Het is een bijzonder soort vrijheid. Een vrijheid, die verantwoordelijkheid aanvaardt in solidariteit.’ [iv]
[i] De weg naar vrijheid. Een socialistisch perspectief (1951). Rapport van de Plancommissie van de Partij van de Arbeid.
[ii] Mellink, B. Neoliberalisme een Nederlandse geschiedenis, p. 53, p. 260, noot 92.
[iii] Zie bijvoorbeeld E. Smid (2025). De grootste dereguleringsoperatie sinds Thatcher. In S&D 2025/6.
[iv] J. M. Den Uyl (1951). De maatschappelijke orde in socialistisch perspectief. Verslag congres – De weg naar vrijheid.